TEMPS PERDU Nestgeur 15

Mon père était vraisemblablement a cette époque un tout autre homme que celui dont je me souviens.

Malraux, La lutte avec l’ange

__________
Proust had aan één koekje genoeg om zich een heel leven te herinneren – dit althans suggereren de dikke delen van À la recherche du temps perdu.

Komt me voor als een hyperbool. Zo’n overdrijving is allicht een steuntje in de rug van de schrijver. Sinds Swaabs hersenonderzoek houd ik in de literatuurgeschiedenis niets voor onmogelijk.

Meer gewoontjes is een herinnering die wordt opgeroepen door het een foto – of door het terugvinden van een al lang verdwenen en vaak zelfs vergeten voorwerp – of, en wel vooral, door een terugkeer naar het huis waarin je opgroeide.

De serie korte teksten in mijn Nestgeur – Notities van een verdwaalde Fries werden me deels ingegeven door de bezoeken aan het geboortehuis in Leiden. Mijn moeder had hulp nodig. Het intussen aan de hand van steeds onduidelijker lijstjes routineus boodschappendoen brengt me er na jarenlange verwaarlozing wekelijks terug.

Zulk bezoek heeft soms materiële consequenties. Bij het aanleggen van een extra kabeltje voor een telefoonalarm trof ik een map aan, geklemd tussen een vochtige buitenmuur en de achterkant van het oude, jaren geleden verplaatste bureau van mijn vader.

Daarin zaten ondermeer twee aquarellen, liefdeloos in de weer om aan schimmel ten onder te gaan. Of mijn moeder daarin nog geïnteresseerd was? Een vraag gesteld zonder ironie – ze bezat voor die gespreksmodus nooit een antenne. Nee, niet echt.

Dus hangen nu in mijn eigen studeervertrek twee geredde tekeningen – een dagelijks genoegen. Een daarvan is dit straatbeeld, geschilderd in warm Chios.

J. H. Plokker, Straatje in Chios
J. H. Plokker, Straatje in Chios

Deze tekening bracht nu juist niet het eigen verleden terug – ze stelt de wereld voor als tegelijk in terra firma en als het begin van een door licht en schaduwen drastisch ontregelde chaos.

Mijn vader stopte het prachtige geschenk direct na ontvangt weg in die map. Van de bevriende schilder/psychiater Plokker hing er weliswaar ook werk aan de muren. Mijn vader was echter primair geleerd en literair ingesteld – muziek en beeldende kunst zaten bij ons thuis op het schellinkje. Deze aquarel zag ik nooit eerder, ze roept geen enkele herinnering op.

De moeder die ik elke week bezoek, heeft zich – inmiddels 96 jaar oud – voorgoed in dit vaderlijk studeervertrek teruggetrokken. Een kamer, die je vroeger niet zonder serieus kloppen mocht betreden. Er is niets veranderd – of het moet het bureau zijn dat nu tegen de vochtige buitenmuur staat en niet meer, zoals vroeger, tegen de muur langs de gang.

Zelfs in mijn bedonderde geheugen roept het betreden van deze ruimte herinneringen op die ik heb verwerkt in Nestgeur. De vraag is steeds hoeveel fictie en hoeveel ‘waarheid’ zo’n confrontatie met het eigen verleden oplevert. Confrontatie, geen zoektocht – in de eerste plaats werd ik erdoor overvallen. Dat waarheidsgehalte kun je nooit goed vaststellen.

Het studeervertrek voer ik niet op als een alibi voor mijn stukjes, zoals een Proust dit deed met zijn madelijnkoekje – een schelpvormig gebakje uit Lotharingen. Wellicht deed de rum daarin de auteur delireren…

In Simenons L’ Affaire Saint-Fiacre keert Maigret terug naar zijn geboorteplaats. Hij bezoekt zowel de oude woning, als het kasteel waar zijn vader ooit als régisseur du château werkte. Behalve zich dingen herinneren, beseft hij vooral onvoldoende afstand te kunnen bewaren tot de verdachten – gevolg van hun gedeeld verleden.

“Hij bekeek het onbeweeglijke decor om zich heen, waarin dertig jaren geen detail hadden gewijzigd… Als luchtbellen bleven herinneringen aan zijn kindertijd bovendrijven.”

De commissaris is op zoek naar een moordenaar, niet op zoek naar de eigen verloren tijd – hij wordt na aankomst met de neus op dat verleden gedrukt. Maigret is immers geen auteur, zoals zijn schepper Simenon, hij is slechts commissaris – een protagonist. Het woordje ‘Ik’ komt in de Maigret-romans zelden voor.

Shade, de dichter in Nabokovs Pale Fire – schrijver van het gelijknamige gedicht van 999 regels – woont zelfs in zijn ouderlijk huis. Het is niet helemaal duidelijk of hij daarin terugkeerde of dat hij hier altijd bleef wonen.

The house itself is much the same. One wing 58
We’ve had revamped. There’s a solarium. There’s
A picture window flanked by fancy chairs.
TV’s huge paperclip now shines instead
Of the stiff vane so often visited
By the naïve, the gauzy mockingbird
Retelling all the programs she had heard… 64

I was an infant when my parents died. 71
They both were ornithologists. I’ve tried
So often to evoke them that today
I have a thousand parents. Sadly they
Dissolve in their own virtues and recede… 75

Shade leeft in zijn verleden – en in zijn taal die dit verleden vormgeeft. Hij hoeft niet op zoek te gaan, hij botst er niet tegenop.

Een te jong gestorven en dus verloren dochter achtervolgt Shade in zijn verzen. Wellicht is hij zich daarom wel scherp bewust van het caleidoscopische en dus onzuivere gehalte van alle herinneringen. Die kleven aan zo’n oud huis – het zijn echter steeds weer nieuwe herinneringen die als even zoveel herfstbladeren van hun boom vallen. Kunst, dichtkunst in de eerste plaats, is het rapen van bundels van zulk toevallig gevallen blad.

F. Sierksma Wetenschappelijk Arbeider
F. Sierksma
Wetenschappelijk Arbeider

Zeker roept deze foto van mijn vader veel op – vooral ook diens willekeurige overtuiging dat ik met twee linker handen werd geboren. Zie hem zelf aan de slag! Misschien was het wel deze tractor in de garage van mijn Friese grootvader die van zijn krik gleed en daarbij zijn heupkom stukbrak. Mijn vader kon de rest van zijn leven niet meer goed lopen.

Een huis waarheen je terugkeert verschaft herinneringen een schijn van objectiviteit. Het suggereert houvast. Maar ook dat is iets.

Mijn Groninger woning – waarin ik de vroegste jeugd doorbracht – zag ik sindsdien nooit meer vanbinnen. Wel de façade en de straat, waaraan het huis ligt. Dit huis komt me niettemin als werkelijker voor dan het Leidse, ook al bracht ik in Groningen maar zeven, in Leiden wel vijftien jaar door. Zelfs nu ik er regelmatig kom, krijg ik er steevast een gevoel van radicale vervreemding. Leefde ik hier, was ik hier ooit echt, was dit mijn kamer? En alles is zo klein… Dezelfde ervaring had ik bij terugkeer in Amsterdam, na twee jaar in Amerika – alles popperig klein.

Men zegt wel dat een mens, zolang hij nog in de gedachten is van overlevenden, zelf verder leeft. Het lijkt eerder zo dat slechts de herinnering aan hem voortleeft, louter als gedachte. Voortleeft – en vervormt. Wie dood gaat is het voorgoed. Zoals ook een auteur niet voortleeft in zijn boeken – dit misverstand berust op de fatale reductie van een schrijver op zijn teksten, of erger nog: van teksten op hun schrijver.

Realiteit en herinnering – altijd een interval, immer een faseverschil.

Sierksma, 15.3.15 Haarlem

INDIANENVERHAAL Nestgeur 14

Met een zweem van ironie moet mijn vader Tristes tropiques hebben gelezen. Als vakman zag hij weliswaar weinig in de structuralistische aanpak van collega-antropoloog Lévi-Strauss, op een wrange manier herkende hij zich toch in diens openingszin: ‘Ik haat reizen en reizigers.’

Zelf verliet deze antropoloog-vader Nederland maar tweemaal. De eerste keer om naar een conferentie in ver Genève te gaan, ik was toen een peuter. De tweede maal, toen ik zeventien was, gingen we met het gezin voor een vakantie naar East Anglia. Zijn enige echte sprong in den vreemde bleef, na afronding van het Groningse proefschrift over Freud, Jung en de religie, de emigratie vanuit het noorden naar het westen. Met een atlas bij de hand bestudeerde hij vanuit zijn Leidse leunstoel daarna verre volkjes, verspreid over de globe.

Uit de Leidse universiteitsbibliotheek sleepte mijn moeder fietstassen vol boeken af en aan. Met zijn ‘lamme poot’ kwam hij nooit al te ver buiten dat studeervertrek. De in die boeken door anderen ‘in het veld’ verzamelde gegevens analyseerde hij, ze vormden het materiaal voor zijn eigen, vooral theoretische studies. Ivoren toren is het trefwoord.

De waarschuwing van Lévi-Strauss over triest geworden tropen heeft hem duidelijk gemaakt dat een zekere argwaan tegenover die antropologische feiten op zijn plaats was. Hoe binnen de vier muren van een Leids studeervertrek zulke informatie toetsen? Hij ontwikkelde een eigen perspectief dat weliswaar afweek van Lévi-Strauss, de ontdekker van verborgen structuren, maar dat zeker niet minder abstract was. Waar de Fransman de sleutel zocht in de rationele bovenkamer van zijn primitieven, daar ging mijn vader wroeten in hun seksuele onderbewuste.

Notities van mijn vader bij passages over structuren in Tristes tropiques en in de andere boeken van Lévi-Strauss suggereren zijn intense belangstelling voor abstracte interpretatie. Zo herlas hij andermans materiaal antropo-biologisch en kwam met de eigen analyse van primitieve verhoudingen een aardig eind op weg. Met die hobby ging hij ver, elke gast bij ons thuis werd al vrij snel na binnenkomst over zijn of haar grooming gedrag ondervraagd – hoe vaak en waar er precies aan elkaars haren werd gefrunnikt.

Met mijn vaders exemplaar in de hand volg ik het spoor terug – van mij naar hem. De zes jaren van onze breuk zijn intussen geworden tot een nooit meer te overbruggen kloof. Links van me houdt Sitting Bull op zijn foto de wacht.

Tatanka Yotanka - Hunkpapa Indiaan
Tatanka Yotanka – Hunkpapa Indiaan

Aan hem wijdde ik, als was hij mijn vader, de opdracht in mijn proefschrift.

‘Voor Tatanka Yotanka – Sitting Bull, opperhoofd van de Hunkpapa-stam, levend van 1834 tot 1890, onder wiens wijze en berustende blik wat volgt werd geschreven. Hij heeft geweten dat het einde voor de Indianen kwam en daarmee een einde aan de open vlakten zonder grenzen. Vanaf zijn dood kan men nog slechts nomade zijn in de bovenkamer.’

In de malle veronderstelling dat mijn toekomstige vrouw in vergelijking met mij onvoldoende opleiding had genoten, heeft deze vader haar slecht bejegend. Sindsdien zagen we elkaar niet meer terug. Zijn gedrag had geen pas, het was schokkend en belachelijk. De opleiding even daargelaten, steekt mijn vrouw me trouwens moeiteloos in haar zak.

Twee jaar daarvoor al knapte er iets. Toen ik hem vertelde van mijn voornemen om dienst te weigeren noemde hij me een lafaard. Dit verwijt sloeg me verslagen uit het veld. Mij leek en lijkt zo’n weigering nog steeds de voltooiing van de opvoeding door een vader die het Verzet vierde, maar zelf onmiskenbaar geen militarist was.

Onderwijl overleef ik hem nu al met zoveel jaren. Oud voel ik me. Dus verwierf ik het recht om af te zien van extremen, me thuis te voelen in het hier en nu, te turen naar muren en bloemen, wandelingetjes te maken en prachtige dingen te lezen zonder te vragen naar het nut ervan. Decennia later had ik het nog eens met hem willen uitpraten. Zoals de Uil van Minerva komt juist inzicht pas met het vallen van de avond – altijd te laat.

Met Dahlbergs grootse regel in gedachten moet ik oppassen om niet alsnog ‘souvenirs te gaan koken’:

‘Een volk dat niet weet hoe het behaaglijk brood moet bakken kan vast geen Pramnische wijn of liefdesverzen brouwen.’

Nog een beetje mooie taal brouwen, het lijkt me wel wat.

Mijn vaders potloodstreepjes in Tristes Tropiques mengen zich met de mijne. De grafietstift is even dun, wel zie je het verschil in signatuur. Ook streep ik wat vaker, een goede en een slechte gewoonte die hij me leerde.

Antropoloog worden lijkt ook niet mis, eentje met een alpinopet op. Of met een Baskische baret, het hoofddeksel waaraan ik intussen de voorkeur geef.

MOBIEL Nestgeur 13

Wanneer Pake ons voor een weekend met zijn extravagante auto uit Dokkum kwam ophalen, liepen de vriendjes uit om het wonder te aanschouwen.

Op zijn twaalfde leerde mijn vader in de garage autorijden, tot zijn vijftigste weigerde hij om er zelf een aan te schaffen. Gezien het geld dat aan taxivervoer werd gespendeerd, was zo’n auto geen luxe. Een ‘muis’ – een botsplinter in de kom van de heup – maakte hem al vrij jong half kreupel, een plotselinge blokkade in die heup deed hem van het ene op het andere moment omvallen. Dit defect liep hij op toen de linkse intellectueel zo nodig eigenhandig een tractor moest repareren die daarbij door de krik heen zakte.

F. Sierksma: Een Wetenschappelijke Arbeider
F. Sierksma: Een Wetenschappelijke Arbeider

Veel van wat ik noteer moet, met Draaisma’s studies in gedachten, welhaast een troebel mengsel zijn van feit en fictie, een vertaling uit het halfbewuste. Misschien is dit wel mijn enige echte herinnering.

De grote Ford kwam onze straat ingereden, ik was net vijf. Vol verlangen prepareerde de kleine jongen zich op een opwindende tocht naar verre verten. Dit keer mocht ik niet mee – een klap. Het moet ook de eerste hele nacht geweest zijn waarin mijn ouders niet thuis waren. Pas veel later hoorde ik dat ze in ver Dokkum naar de trouwerij van Oom Meint gingen, ditmaal voor een heel weekend.

Even daarvoor verscheen mama’s jongste broer, Oom Jan. Zou het deze nacht zijn geweest die me een decennium later, tijdens een vechtpartij in Petten, zijn heup deed ontwrichten?

Oom Jan met jonge auteur
Oom Jan met jonge auteur

Die nacht kwam hij oppassen. Wanneer mijn ouders een avond uitgingen deed een vriend het. Dit keer liep het anders.

Weer mocht ik eerst in het ouderlijk bed gaan slapen, later die nacht bracht oom me naar het kleine tuinkamertje waar ik in mijn met spijlen beveiligde bedje de toen ijskoude winternachten doorbracht. De bezorgde, nog jonge man sliep ernaast op een matras.

Midden in de nacht klom ik over de rand van het bedje, doorkruiste de smalle gang die mijn tuinkamer met de dit keer lege slaapkamer van mijn ouders verbond, en ging de lange gang door die van het donkere achterhuis naar de voordeur liep. Een akelige glans van straatlantaarns viel door het bovenlicht naar binnen. Ik deed de deur open.

Eenmaal op straat liep ik over de Westersingel heen de brede Kraneweg op, de route die de stad uit voert – richting Dokkum. Midden op de rijweg dribbelend zette ik eenzaam koers richting Pake en mijn ouders. Koplampen van late auto’s dansten af en toe als toverballen op me af, of deden mijn eigen schaduw juist vooruit schieten. Mijn eerste vlucht naar voren, ik had geen idee wat ik deed.

Mijn oom, nog steeds op de matras naast het bedje, schrok zich rot. Met mij op de arm wekte een wildvreemde hem uit een diepe slaap. De man ving me in zijn koplampen, had zijn auto gestopt en mij erin gezet. Blijkbaar wist ik hem de weg terug naar huis te wijzen, de voordeur stond wagenwijd open.

To be on the road and not to be, een ambivalentie die mijn leven kenmerkt. Tegelijk huismus zijn en weg willen vluchten. Ergens vandaan of juist iets achterna, wie of wat wist ik nooit goed. Boeken lezen is een aardig surrogaat, je kunt daarin kopje ondergaan. Ook schrijven is een vluchtpoging.

TROPOS Nestgeur 12

Al lezend reproduceer ik in mijn verbeelding de portretjes die Hermans van ons beiden maakte. Na het overlijden van Lévi-Strauss pikte ik in Leiden diens Tristes tropiques uit de vaderlijke bibliotheek, ik kende het boek nog niet.

In 1955 werden boeken nog gedrukt met stalen platen. De tekst werd hierop in spiegelschrift met loden letters aangebracht, deze haalde de zetter vanuit onder- en bovenkast. Zo ontstonden er nog echte drukfouten.

Foute t
Foute t

Op bladzijde vierentwintig van mijn exemplaar staat bijvoorbeeld een t op zijn kop. Kom daar in deze elektronische tijden nog eens om. Als jongetje bracht ik vele uren door op de zetterij in de catacomben van de Universiteitsbibliotheek in Groningen. Met één hand bungelend aan mijn vaders arm danste ik erheen. Hij werkte er als vakreferent, ‘s nachts schreef hij thuis zijn dissertatie.

Van deze voddige Franse editie van Tristes tropiques is het kaft vergeeld. Wel is het uitgevoerd met katernen – daardoor blijft een boek bij een gekozen passage op de knie aangenaam open liggen.

Zulke Franse boeken kocht je dichtgelast. Voordat je erin kon lezen, moesten alle katernen eerst met een speciaal mes worden opengesneden. Een gelezen Frans boek zag er steeds rafelig uit. Behalve de vier laatste, nog aan elkaar gesmede bladzijden deed mijn vader zijn plicht. Nadat ik die alsnog opensneed, staan daarop een beperkte bibliografie en een inhoudsopgave. Gezien de aantekeningen las hij het boek van voren naar achteren uit, de laatste pagina’s vond hij niet interessant.

De fameuze eerste zin van Lévi-Strauss luidt: Je hais les voyages et les explorateurs. De auteur opent een lang verhaal over eigen reizen met de mededeling dat hij aan reizen net zo de pest heeft als aan reizigers. Deze verrukkelijke paradox werd in menige necrologie onbegrepen geciteerd. Pas wie doorleest komt erachter wat de auteur ermee bedoelt.

Voor antropologisch onderzoek bezocht Lévi-Strauss de tropen. Die zijn niet zozeer triest, ze zijn het geworden. Wat hij er wilde vinden en onderzoeken bestond niet meer, kolonisatie eiste haar tol. Triest zijn de tropen omdat het geen tropen meer zijn, ze maakten een oneigenlijke wending door. ‘Zoals de wereld van weleer, zo verdwijn jezelf – zo ook vergaat de wereld die nog komen zal’. Het motto voorin het boek dat Lévi-Strauss aan Lucretius ontleende.

Hij verafschuwde niet zozeer de ontdekkingsreiziger als wel moderne reizigers, toeristische oplichters die in ‘verre streken’ impressies bijeensprokkelen om er later ‘souvenirs van te koken’. Nadat een dergelijke reiziger is thuisgekomen, schotelt hij de achterblijvers zijn indrukken voor als evenzoveel brokken exotisme. Zo graag had Lévi-Strauss geleefd ‘in tijden van het echte reizen – toen zich een niet verdoemd en verprutst, ja, nog onbesmet schouwspel in alle pracht aanbood’.

Het reizen zelf beschrijft hij ook in termen van verval. Vervelende kolonialen als medepassagiers, vozende handelsreizigers en functionarissen van het Vichy-regime die het Joodse schepelingen moeilijk maken. Zijn pijnlijke beschrijving van de bootreis ontbeert elk heimwee.

Tien jaar later schreef een bewonderaar van Lévi-Strauss, de filosoof Michel Foucault, zijn ode aan schepen. Diens nostalgie spiegelt het cynisme van de antropoloog.

Pas wie bedenkt dat het schip een drijvend stuk ruimte is, een plek zonder plaats, begrijpt waarom het vanaf de zestiende eeuw tot nu niet alleen het grote instrument was voor economische ontwikkeling van onze beschaving, maar ook het grootste depot van onze verbeelding. In beschavingen zonder schepen verdrogen dromen, spionage neemt er de plaats in van avonturen en politie die van piraten.

Wij kosmopolieten, wij verwesterden – zo lang al leden we aan exotisme, we ontwaarden het ware of zelfs de ware in iets of in iemand van elders en van ver. Het verre en uitheemse leek opwindend rauw, de eigen wereld proefde saai en voorgekookt. Het nabije was nooit genoeg.

Eenmaal op reis naar vreemde verten blijkt het ‘gans andere’ en zeer verre niet echt anders meer en veel minder ver. Als kosmopoliet daarnaar op zoek, beseft een modern mens dat wat hij elders aantreft meer op hem lijkt dan hem lief is – trouwens een grondgedachte in het werk van Lévi-Strauss. Dankzij het functioneren van de hersenpan lijken volgens hem culturen en rassen meer op elkaar dan ze van elkaar verschillen.

Het kan verkeren. Intussen maakt onze beschaving een nieuwe wending door. Sommige postmoderne westerlingen ervaren het vreemde en verre algauw als bedreigend en bepleiten een voorrang van het ‘eigen volk’.

PASSÉ DÉFINI Nestgeur 11

Weerloos is de tijd, ongenadig de aarde.
Hugo Claus

______________________________________________

In pagina 278 van mijn tweedehands exemplaar van Hermans’ De tranen der acacia’s loopt een vore. Alsof een vorige lezer de tekst wilde omploegen. Eenzelfde groef zit niet in de ertegenover liggende bladzijde. Het is dus geen afdruk van iets dat tussen de bladzijden heeft klem gezeten, er is iets op gevallen.

Pagina uit: De Tranen der acicia's
Pagina 278 van: De Tranen der acacia’s

Zinloos speculeren over zoiets als dit groefje kon ik nooit laten, het leidt wel af van lezing. De kerf is een zuiver feit, zo’n ijdel ding waarvan de schrijver van rechttoe rechtaan metaforen Hermans veel hield.

Op de Franse pagina staat een opdracht: ‘Aan Fokke Sierksma, met vriendschap als eigenbelang, van W.F. Hermans, A’dam 28 Feb. 50’. Drie jaar later verhuisde de auteur naar Groningen waar wij op dat moment nog woonden. De opdracht verwijst naar het boek dat mijn vader in 1948 schreef – Schoonheid als eigenbelang. Of ze toen al bevriend waren, ik weet het niet, ze kenden elkaar in elk geval via het tijdschrift Podium.

Het exemplaar met de kerf komt uit de bibliotheek van mijn vader, mijn moeder krijgt het wel eens terug. Het kan geen toeval zijn dat enkele regels onder de beschadiging de vader van Hermans’ protagonist Arthur ‘nog één keer het schortenbandje van een der dienstmeisjes heeft losgetrokken’. Liet mijn eigen vader die groef opzettelijk achter als een obscene verwijzing voor zijn nageslacht?

Toen ik een jaar of vijf was brachten wij samen een mysterieus bezoek aan een onbekende vrouw. Ze had een eigen zoontje. Zonder dat het werd aangeroerd wist ik dat ik een broertje ontmoette. Was dit de wensdroom van een jongetje dat kort daarvoor zo’n broertje had verloren, of heeft een kind van vijf intuïtief al weet van ‘als twee druppels water’?

Lang nadat Arthurs echte vader hem samen met zijn moeder bij een andere man in Nederland had achtergelaten, neemt hij weer contact op. We lezen de beste episode van het boek, die begint na de groef. De ontmoeting speelt zich af in het Hermans later zo dierbare Brussel. Toen hij het boek schreef, had hij intussen aan zijn geboortestad Amsterdam een hekel. Altijd al was hij een Verloren Zoon en hij wilde dit ook graag zijn.

De Brusselse vader drinkt duchtig en doet aan probleemschaak, twee liefhebberijen die ik van de mijne erfde.

‘Ik weet hoe ik het in vier zetten zou kunnen doen, maar het moet in drie… Ik begin zin te krijgen in mijn cognac’, zei zijn vader. Hij zuchtte diep. ‘Het leven is zwaar,’ zei hij, ‘maar niet zwaarder dan een schaakprobleem dat zeer waarschijnlijk verkeerd is opgegeven… Aha, dat is juist de aristocratische kunst: niets doen en je toch amuseren.’

Sympathie voor zulk amusant far niente, gepaard aan een enorme werkdrift, het kenmerkte Hermans, mijn vader en mezelf. Levenslang observeerden we anderen die de kunst van het seigneuraal lummelen wel verstonden – Hermans in zijn romans, mijn vader in zijn etnologische studies, ik tijdens een onderzoek naar het doen en laten van kloosterlingen. Geen van ons leerde ooit om die kunst van het lanterfanten in praktijk te brengen.

Dan laat Arthur de vader voorgoed achter in Brussel, zoals ook ik de mijne na de breuk nooit meer terugzag. Later gingen Hermans en mijn vader uit elkaar, de klad zat erin. Het was een even vriendschappelijke als afstandelijke verhouding tussen een onderzoeker voor wie religies gegevens waren zonder er zelf in te geloven, en een schrijver die in harde feiten geloofde en de ander diens ‘zachte vak’ verweet.

Het werd voorzegd, de groef in het acaciablad is het bewijs.

NOODLOT Nestgeur 8

Mijn vader ging in Dokkum naar de mulo. Halverwege de eerste klas stond met kerst een rapport met negens en tienen op de schoorsteenmantel. De lokale zielenherder bracht die week zijn domineesbezoek. Zoiets kon gewoon niet, vonden dominee en Pake, ze besloten de jongen naar het gymnasium in Leeuwarden te sturen, zes jaar lang elke dag drie uur met de bus op en neer.

Na een mooi eindexamen zei mijn vader dat hij classicus wilde worden. De aap kwam uit de mouw. Destijds waren dominee en Pake ook overeengekomen dat hij na het gymnasium voor dominee zou gaan studeren. Kiezen of delen – in Dokkum gaan werken als boekhouder in de autozaak of in Groningen theologie gaan studeren.

Die opleiding omvatte prima onderricht in klassieke talen en Hebreeuws. Vooral dankzij professor Van der Leeuw, die mijn vader steevast ‘mijn leermeester’ noemde – een ‘volkenkundige’ en na de oorlog onze minister van Onderwijs – werd mijn vader alsnog een eigenaardig soort antropoloog. Zijn leven lang zou hij liaisons onderzoeken tussen de seksen – in primitieve volkjes en in het eigen Westen.

Boek van Professor Van der Leeuw
Boek van Professor Van der Leeuw

Deze chantage vergaf hij Pake Rypke nooit. Met hem breken, wat ik later wel met mijn vader zou doen – hij kon het niet. Pake was daarvoor te aardig.

Zo meandert een mens door het leven dat al stroomt voor hij eraan begint en doorslingert nadat het zijne alweer is afgelopen.

ERFZONDE Nestgeur 5

De eerste zoon in de familie kreeg steeds de naam van de grootvader: Rypke Fokkes, Fokke Rypkes, Rypke Fokkes, een reeks die ver teruggaat. Bij de geboorte van mijn eigen zoon verbrak ik de keten. Krach tussen mij en mijn vader motiveerde de zonde, als telg van de jaren zestig verzette ik me ook tegen tradities.

De heftigheid van deze inbreuk is een bewijs voor het gewicht van onze taal. Een passage uit Sterne’s Tristram Shandy trof me later als een mokerslag. Vlak na de geboorte van Tristram discussieert diens vader met enkele vrienden over de malle naam – de Trieste. Zelf is de vader er ook niet gelukkig mee.

Toen het allemaal gebeurde lag Vader Shandy met rugklachten op bed. Lang voor de geboorte bedacht hij zijn zoon al met de verheven naam Trismegistus. Nu moest een dienstmaagd de naam doorgeven aan de dominee die naast moeders kraambed, aan gene zijde van het grote huis, de doopplechtigheid voorbereidde. Terwijl ze door de gangen rende, verbasterde het arme meisje de bedoelde naam in Tristram. ‘Gij lekkend vat!’, zei de vader later. Thou leaky vessel…!

Wat maakt het ook uit hoe je zoon heet! Zo probeerden de nominalistische vrienden de vader te troosten. Deze antwoordde met een realistische vraag: ‘Zouden jullie je eigen zoon dan Judas dopen?’ Zo zit dat. Ook wie slechts een eeuwenoude naam vervangt door iets nieuwerwets geeft zijn familie een klap in het gezicht.

2196-415-338[1]

Sanne Sannes

Met de mooie vrouwenfoto’s van Sanne Sannes voor ogen noemden we onze eerste zoon bij voorbaat Sanne – een naam die je aan een jongen en een meisje kon geven. Misschien wel als straf voor mijn dwaling werd de tweede zoon geboren op de verjaardag van mijn vader.

VERZET Nestgeur 4

VERZET

Pake van vaders kant was een onderdeurtje. Mijn lengte kreeg ik misschien van Beppe, maar vooral toch via mijn moeder. Aan het zure christendom van mijn grootmoeder wist mijn vader godzijdank jong te ontsnappen. De in Dokkum achtergebleven ooms voedden de neven en nichtjes later artikelsgewijs op. Op zondag speelden ze niet buiten, binnen mochten de nichtjes niet handwerken. Ze bleven allemaal hun hele leven strak gereformeerd, of hun Friese kerk nu Hervormd heet of niet.

Niet alleen het gedrongen postuur, ook Pake’s mentaliteit deed denken aan De Dokwerker waarmee Amsterdam het verzet gedenkt. De Jodenvervolging zorgde ervoor dat in ver Friesland mijn ongelovige vader en deze vrome grootvader ‘in het Verzet’ gingen. Dat woord werd bij ons thuis steeds gesproken met een hoofdletter. Achteraf zou Pake tot grote ergernis van mijn linkse vader ‘God, Vaderland en Oranje’ als zijn hoofdmotief opvoeren.

Pake leek op Tatanka Yotanka, het opperhoofd van de Hunkpapa-Indianen – Sitting Bull, bij ons thuis een held. Een portret van de Chief siert al decennia mijn studeervertrek. Hij zag zichzelf als de belichaming van de Indiaanse opstand tegen de bezetter. Over die tegenstander sprak een ander opperhoofd, Grijze Uil, ooit wijze woorden: ‘De beloften van blanken staan op water geschreven.’

Een jaar voor de fatale slag bij Wounded Knee probeerde McLaughlin, een ambtenaar van The Indian Bureau, om tijdens onderhandelingen met Sitting Bull hem de mond te snoeren. De Chief schreeuwde terug: ‘Indianen, zei u – buiten mij is er geen Indiaan meer over!’ Pake Rypke, mijn naamgever, had hem kunnen waarderen.

Mijn tweede naam kreeg ik ook via het Verzet. Op 26 mei 1944 executeerde de Gestapo Johan Erich, de beste vriend van mijn vader. Hij werkte op het postkantoor en opende er ’s nachts Duitse postzakken om na lezing van hem onwelgevallige stukken deze in een open haard te verbranden. Hij werd gesnapt. Door hem werden veel door de Duitsers gezochte Friese verzetsstrijders op het nippertje gered. Op elke enveloppe met verjaardagsgeld schrijft mijn moeder steevast ‘Rypke Johan’, vaak noemt ze me ook zo.

Op pinksterzondag 1944 schreef mijn vader een nogal pathetisch vers. Veel verzetsliteratuur lijdt aan dit euvel. In het beste, toch nog gezwollen slotkwatrijn geeft hij mij al een opdracht mee – regels van vóór mijn geboorte, van voor de nestgeur.

Mijn zoon, die eenmaal naast mij staat,
Bewaar dit diep in je ziel:
Mijn vriend had de zwijgende trouw van een bloem,
Die bloeit waar de zaadkorrel viel.

Drie dagen geleden zocht ik in het ouderlijk huis tevergeefs naar de enig overgebleven foto van Oom Johan. Daarnaar zou ze nog eens zoeken, zei mijn moeder. Met haar concentratie is al zo lang iets mis, dit moet maar wachten tot later.

In 1941 werd de Jodenvervolging voor elke Nederlander zichtbaar. De Februaristaking markeert het moment waarop voor velen hier de oorlog pas echt begon. Pake en mijn vader ‘verdomden het’, een uitdrukking die elke vierde mei in ons huis rondzong.

Pake zou het nog ver schoppen, tegen het eind van de oorlog was hij een van de drie door de Duitsers gevangengenomen verzetsleiders die bij de vermaarde ‘Kraak van de Leeuwarder gevangenis’ op 8 december 1944 bevrijd hadden moeten worden.

media_l_258586[1]

De Leeuwarder gevangenis

Bij twee daarvan lukte het. Op de dag van dit huzarenstukje was mijn Pake echter al gevlogen. Niet uit de gevangenis ontsnapt, zoals ik als jongen graag wilde geloven – wel verdwenen. Veel later kwam de vermoedelijke waarheid aan het licht.

Behalve twee ooms was er in Dokkum nog een tante, een vrome vrouw die ik nooit bewust heb ontmoet. Zonder er met iemand over te praten, zo gaat het verhaal, zou ze enkele dagen voor ‘de kraak’ zijn afgereisd naar Leeuwarden, om daar met een hoge SD-officier het bed te delen. De volgende dag stond Pake op de stoep. Pijnlijk lang duurde het voor het Verzet hem weer vertrouwde.

GAS Nestgeur 1

In de vorm van een serie publiceer ik op dit blog vanaf vandaag de hoofdstukken uit mijn boekje NESTGEUR, NOTITIES VAN EEN VERDWAALDE FRIES -uitgegeven in 2013, door Frysk en Frij te Leeuwarden.

 

DSCF4796

 

_____________________

NESTGEUR

These fragments I have shored against my ruins…

T.S. Eliot, The Waste Land

Do not go gentle into that good night,
Old age should burn and rave at close of day;
Rage, rage against the dying of the light.
Dylan Thomas, Do not go gentle…

Giving shape to other people’s lives, stealing what’s happened to them, which is always disordered and confused.

J. G. Vásquez, The Informers

Mir ist, als flösse dieser Bach da draussen
ein Heimlich Bette in mir selbst herab
und spülte nun den lange trocknen Grund
zu neuem sonderbaren Leben auf…

Christian Morgenstern, Ein Sommer

______________________________________________________

GAS

De geur in mijn neus komt van de Leidse gasfabriek. Lichtgas werd toen door droge destillatie uit steenkool gemaakt, een goedje dat nog niet comfortabel uit de Groninger bodem kwam. We woonden niet in de buurt van de fabriek, anders was ik er wel aan gewend.

In de late herfst stopte de atletiektraining op de baan, wekelijks reed ik op de fiets naar een volleybalzaal onder de rook van de gasproducent. Bij de grote molen van Rembrandt ging het linksaf. Dan, welhaast drankloos dronken, slalomde je langs een heftig slingerende, zo lang al nutteloos geworden verdedigingsgracht.

Die geur snoof ik later opnieuw op. We bezochten mijn geboorteplaats Leeuwarden. Blijkbaar vond ik het nodig om een nieuwe vrouw aan de familie te tonen. Het eerst aan de beurt waren twee oerlelijke oudtantes, de oude vrijster Doe, haar zus Trijn en hun Dritte im Bunde, Trijns echtgenoot Gerben.

Oom Gerben was arbeider geweest in de Leeuwarder gasfabriek, als jongen ging hij er naar binnen, gepensioneerd kwam hij er weer uit om daarna nog wat op een tuinderij te werken. Hun piepkleine huis moet welhaast ontworpen zijn door zo’n karige ergonoom uit de Moderne Beweging. Tegenwoordig maak je er een rommelschuur van of een oversized hondenhok.

De drie woonden er hun hele leven. Eerst met zijn tweeën, later toen Doe was ingetrokken als ménage à trois. Waar ze sliepen en hoe, geen idee. Met heftige erotiek had het weinig van doen, dat zag je. In het keukentje van een ruime vierkante meter acteerde reuzin Trijn als een waar jongleur. Verder stond er een tweepits gastoestel met, ironisch genoeg, daaronder een Butagasfles.

Nog jaren later rook je de van gas zwangere lucht. Die kwam niet uit die Butagasfles. Het leek of Oom Gerben zelf nog naar het spul stonk. Het waren de poreuze, ruim een eeuw met deze lucht geïmpregneerde muren die ver na sluiting van de fabriek de scherpe geur bleven uitwasemen.