WORKING CLASS HERO

And much of what I’ve forgotten
Has taken vengeance by forgetting me.

Yevtushenko

__________

John Lennon once sung his ode to the working class hero. He is ‘something to be’.

Lennon himself seems to have been such a man, this in the double sense of the words. He came from a working class family, with a sailor as a father and an usherette as his mother. And he truly became a hero of the working class.

For such proletarian performance the Brits elevate a man to the peerage.

As soon as you’re born they make you feel small
By giving you no time instead of it all
Till the pain is so big you feel nothing at all
A working class hero is something to be

Sir Mick Jagger, by contrast, only performed the act of a working class hero. His father was a teacher, his mother an active member of the Conservatives. No two ways about it – genetically middle class.

Bowie told that same working class that each one of them could be a hero, just for one day. Perhaps at least for one day, taking the careers of Bowie and Lennon as a cue. A bit like Warhol, although he was less generous and gave everyone a mere fifteen minutes of world fame.

I, I will be king
And you, you will be queen
Though nothing will drive them away
We can beat them, just for one day
We can be Heroes, just for one day

Lennon’s heroism lasted a lot less long than Bowie’s or Jagger’s. Then again, Jagger also became Sir. Bowie, the true hero, turned such offer down.

Now we have once more a typical English hero, Bradley Wiggins – this time son of a father who was as a working class hero, a cyclist who was also a drunkard and what not. Actually his dad was Australian, but this time England went Yiddish, ascribing the mother’s nationality to her son.

Could it be that, if Bradley would not have grown into the world-famous cyclist, England might still consider him an Australian? More or less like the changing fate of Murray, who is British if he wins, a Scotsman when he looses a match.

Sad it is, but even when Wiggins won his Tour de France it was no reason for the BBC to broadcast the celebration on the Parisian Champs Élysées. Could it be that such program is only in store for us on the British telly, when the good man, now a Sir like Jagger, could win the Tour de France on England’s soil…

So, unfortunately, Wiggins did not become a working class hero in his homeland. My doctor, himself a great cyclist, stayed over there for his holidays. ‘Wonderfully quiet’, he told me. ‘But I have not been allowed to see anything of the Tour de France on the telly’.

Oh yes, indeed: ‘Fog in the Channel, the continent is isolated’.

Sierksma

STELLARIUM Nestgeur 16

De Groninger nestgeur ruikt anders dan het latere aroma van Leiden. De eerste zeven jaar, daarginds in het Noorden, geuren intenser. Mijn ouders ontvingen er vaak rare snuiters – schrijvers en kunstenaars, op zijn tijd zelfs een filosoof.

Die nacht werd het kleine jongetje wakker en dwaalde door de donkere woning naar de huiskamer. Alles stond op zijn kop, of op plekken waar dingen niet thuishoren. Alles, inclusief de vader en de filosoof die samen over het vloerkleed kropen. Mijn moeder was er niet bij. Een surreële collage van levende wezens en dode dingen die de jongen als beklemmend ervoer. Later inspireerde de herinnering juist.

Eenmaal in Leiden was het huis geen thuis meer. Tien jaar lang namen we er een aanloop naar de krach. Eerst leerde Oom Jan ons samen schaken. Pas op mijn zeventiende won ik een partij, achteraf bezien wellicht ook de eerste serieuze casus belli.

Het ouderlijk huis in Leiden was naar sekse, beroep en leeftijd in compartimenten verdeeld. Elk van ons had een zone – mijn jongere zus haar kamertje, mijn vader zijn studeerkamer, mijn moeder de keuken en de huiskamer. Mijn eigen vertrek diende voor studeren en slapen. Het grootste deel van de dag trok elk zich terug in de eigen nis.

Het Leidse huis heeft een vreemde schikking. Volledig op de begane grond liggen de vertrekken rondom een U-vormige gang geschikt, in de holte waarvan zich de trappenhuizen van twee bovenwoningen bevonden. Daaronder zat aan de ene kant ingeklemd een voor lange mensen te kleine en te lage wc, aan de andere kant een kelderkast.

Wanneer er bij ons bij de rechtse van drie huisdeuren werd aangebeld, keek de beller verstoord naar mijn moeder die in het linker erkerraam van onze voorkamer verscheen om te kijken wie er was. Waar bemoeit dat nieuwsgierige mens zich toch mee!

In de voor een stadshuis door deze opzet groot uitgevallen tuin kwamen de elementaire gezinsdeeltjes vaak samen. Was het mooi weer, dan zaten mijn ouders en ik daar, elk opgesloten in de eigen bezigheid. Mijn zus kan ik me in deze situatie niet herinneren, zoals ik ook pas veel later besefte hoe onrechtvaardig groot mijn kamer was in vergelijking met de hare. Die grensde ook nog eens aan de slaapkamer van onze ouders.

Werd het kouder, dan dronken we elke dag na school thee in de huiskamer. Net als tijdens het avondeten had ik het gevoel dat mijn vader er tegelijk wel en niet was. Ook mijn moeder was een afstandelijke vrouw.

Onze intenser wordende guerrilla had hiermee te maken. In deze atmosfeer werd het zusje nog meer de non-entiteit die ze door de vijf jaar leeftijdsverschil al was. De onnozele gymnasiast probeerde met zijn vader te debatteren. Een voor mij leerzame, voor moeder en zus irritante confrontatie waarmee ik de man alsnog dwong om er af en toe te zijn. De ongenaakbare eenheid van een kern en een elektron die elkaar zonder raakpunt bleven omcirkelen maakte van ons tweeën een minibom.

Nog zie ik hem achter in de tuin onder een zonnescherm op het plat zitten, steeds met een zonnebril op, achteroverleunend in de linnen ligstoel, met aan beide zijden een tafeltje – op het ene eerst dranken, later drank tout court, op het andere boeken, pennen, papier en pakjes sigaretten. De tuin was onze plaats van samenkomst, tot een ontmoeting kwam het er nooit. Hij was geabsorbeerd in zijn studie, ik deed mijn huiswerk, mijn moeder las, we spraken zelden. Die tuin bevrijdde me van het huis.

Elke film, elk boek waarin een chique Engelse familie figureert fascineert me. Unheimisch voel ik me daarin thuis – Brideshead Revisited, Howard’s End. Elke bewoner van zo’n House kan wel of niet thuis zijn, kan voor het eten wel of niet naar beneden komen, niemand weet het van tevoren. Een stamboom en de plaats in de opvolgingsreeks van elk familielid houden hen bijeen.

Elk onderdeel van zo’n cluster representeert the Family – niet alleen tegenover buitenstaanders, maar ook onderling. Formalisme en ceremonie overheersen, dus ontbreekt genegenheid. Men verhaalt er van eigen wel en wee en wordt door de luisteraars aandachtig genegeerd. Als planeten cirkelen ze om elkaar heen, elk in de eigen eenzame baan.

Orangerie van Elswout
De Orangerie van Elswout

Zo ook zwemt het House in zijn eindeloze tuin. Nog steeds voel ik me prettig in deze parken met hun grote bomen en lange lanen. Thuis buitenshuis – in het Bloemendaler Elswout of ergens in zoet Frankrijk.

Lange reizen door Europa maakte ik, op zoek naar dit soort hoven. Om er in al hun onwerkelijkheid te mogen verdwijnen.

TEMPS PERDU Nestgeur 15

Mon père était vraisemblablement a cette époque un tout autre homme que celui dont je me souviens.

Malraux, La lutte avec l’ange

__________
Proust had aan één koekje genoeg om zich een heel leven te herinneren – dit althans suggereren de dikke delen van À la recherche du temps perdu.

Komt me voor als een hyperbool. Zo’n overdrijving is allicht een steuntje in de rug van de schrijver. Sinds Swaabs hersenonderzoek houd ik in de literatuurgeschiedenis niets voor onmogelijk.

Meer gewoontjes is een herinnering die wordt opgeroepen door het een foto – of door het terugvinden van een al lang verdwenen en vaak zelfs vergeten voorwerp – of, en wel vooral, door een terugkeer naar het huis waarin je opgroeide.

De serie korte teksten in mijn Nestgeur – Notities van een verdwaalde Fries werden me deels ingegeven door de bezoeken aan het geboortehuis in Leiden. Mijn moeder had hulp nodig. Het intussen aan de hand van steeds onduidelijker lijstjes routineus boodschappendoen brengt me er na jarenlange verwaarlozing wekelijks terug.

Zulk bezoek heeft soms materiële consequenties. Bij het aanleggen van een extra kabeltje voor een telefoonalarm trof ik een map aan, geklemd tussen een vochtige buitenmuur en de achterkant van het oude, jaren geleden verplaatste bureau van mijn vader.

Daarin zaten ondermeer twee aquarellen, liefdeloos in de weer om aan schimmel ten onder te gaan. Of mijn moeder daarin nog geïnteresseerd was? Een vraag gesteld zonder ironie – ze bezat voor die gespreksmodus nooit een antenne. Nee, niet echt.

Dus hangen nu in mijn eigen studeervertrek twee geredde tekeningen – een dagelijks genoegen. Een daarvan is dit straatbeeld, geschilderd in warm Chios.

J. H. Plokker, Straatje in Chios
J. H. Plokker, Straatje in Chios

Deze tekening bracht nu juist niet het eigen verleden terug – ze stelt de wereld voor als tegelijk in terra firma en als het begin van een door licht en schaduwen drastisch ontregelde chaos.

Mijn vader stopte het prachtige geschenk direct na ontvangt weg in die map. Van de bevriende schilder/psychiater Plokker hing er weliswaar ook werk aan de muren. Mijn vader was echter primair geleerd en literair ingesteld – muziek en beeldende kunst zaten bij ons thuis op het schellinkje. Deze aquarel zag ik nooit eerder, ze roept geen enkele herinnering op.

De moeder die ik elke week bezoek, heeft zich – inmiddels 96 jaar oud – voorgoed in dit vaderlijk studeervertrek teruggetrokken. Een kamer, die je vroeger niet zonder serieus kloppen mocht betreden. Er is niets veranderd – of het moet het bureau zijn dat nu tegen de vochtige buitenmuur staat en niet meer, zoals vroeger, tegen de muur langs de gang.

Zelfs in mijn bedonderde geheugen roept het betreden van deze ruimte herinneringen op die ik heb verwerkt in Nestgeur. De vraag is steeds hoeveel fictie en hoeveel ‘waarheid’ zo’n confrontatie met het eigen verleden oplevert. Confrontatie, geen zoektocht – in de eerste plaats werd ik erdoor overvallen. Dat waarheidsgehalte kun je nooit goed vaststellen.

Het studeervertrek voer ik niet op als een alibi voor mijn stukjes, zoals een Proust dit deed met zijn madelijnkoekje – een schelpvormig gebakje uit Lotharingen. Wellicht deed de rum daarin de auteur delireren…

In Simenons L’ Affaire Saint-Fiacre keert Maigret terug naar zijn geboorteplaats. Hij bezoekt zowel de oude woning, als het kasteel waar zijn vader ooit als régisseur du château werkte. Behalve zich dingen herinneren, beseft hij vooral onvoldoende afstand te kunnen bewaren tot de verdachten – gevolg van hun gedeeld verleden.

“Hij bekeek het onbeweeglijke decor om zich heen, waarin dertig jaren geen detail hadden gewijzigd… Als luchtbellen bleven herinneringen aan zijn kindertijd bovendrijven.”

De commissaris is op zoek naar een moordenaar, niet op zoek naar de eigen verloren tijd – hij wordt na aankomst met de neus op dat verleden gedrukt. Maigret is immers geen auteur, zoals zijn schepper Simenon, hij is slechts commissaris – een protagonist. Het woordje ‘Ik’ komt in de Maigret-romans zelden voor.

Shade, de dichter in Nabokovs Pale Fire – schrijver van het gelijknamige gedicht van 999 regels – woont zelfs in zijn ouderlijk huis. Het is niet helemaal duidelijk of hij daarin terugkeerde of dat hij hier altijd bleef wonen.

The house itself is much the same. One wing 58
We’ve had revamped. There’s a solarium. There’s
A picture window flanked by fancy chairs.
TV’s huge paperclip now shines instead
Of the stiff vane so often visited
By the naïve, the gauzy mockingbird
Retelling all the programs she had heard… 64

I was an infant when my parents died. 71
They both were ornithologists. I’ve tried
So often to evoke them that today
I have a thousand parents. Sadly they
Dissolve in their own virtues and recede… 75

Shade leeft in zijn verleden – en in zijn taal die dit verleden vormgeeft. Hij hoeft niet op zoek te gaan, hij botst er niet tegenop.

Een te jong gestorven en dus verloren dochter achtervolgt Shade in zijn verzen. Wellicht is hij zich daarom wel scherp bewust van het caleidoscopische en dus onzuivere gehalte van alle herinneringen. Die kleven aan zo’n oud huis – het zijn echter steeds weer nieuwe herinneringen die als even zoveel herfstbladeren van hun boom vallen. Kunst, dichtkunst in de eerste plaats, is het rapen van bundels van zulk toevallig gevallen blad.

F. Sierksma Wetenschappelijk Arbeider
F. Sierksma
Wetenschappelijk Arbeider

Zeker roept deze foto van mijn vader veel op – vooral ook diens willekeurige overtuiging dat ik met twee linker handen werd geboren. Zie hem zelf aan de slag! Misschien was het wel deze tractor in de garage van mijn Friese grootvader die van zijn krik gleed en daarbij zijn heupkom stukbrak. Mijn vader kon de rest van zijn leven niet meer goed lopen.

Een huis waarheen je terugkeert verschaft herinneringen een schijn van objectiviteit. Het suggereert houvast. Maar ook dat is iets.

Mijn Groninger woning – waarin ik de vroegste jeugd doorbracht – zag ik sindsdien nooit meer vanbinnen. Wel de façade en de straat, waaraan het huis ligt. Dit huis komt me niettemin als werkelijker voor dan het Leidse, ook al bracht ik in Groningen maar zeven, in Leiden wel vijftien jaar door. Zelfs nu ik er regelmatig kom, krijg ik er steevast een gevoel van radicale vervreemding. Leefde ik hier, was ik hier ooit echt, was dit mijn kamer? En alles is zo klein… Dezelfde ervaring had ik bij terugkeer in Amsterdam, na twee jaar in Amerika – alles popperig klein.

Men zegt wel dat een mens, zolang hij nog in de gedachten is van overlevenden, zelf verder leeft. Het lijkt eerder zo dat slechts de herinnering aan hem voortleeft, louter als gedachte. Voortleeft – en vervormt. Wie dood gaat is het voorgoed. Zoals ook een auteur niet voortleeft in zijn boeken – dit misverstand berust op de fatale reductie van een schrijver op zijn teksten, of erger nog: van teksten op hun schrijver.

Realiteit en herinnering – altijd een interval, immer een faseverschil.

Sierksma, 15.3.15 Haarlem

THE BORROMINI VERSE POST SCRIPTUM

POST SCRIPTUM 

e sorgo, e I lievi nugoletti, e il primo

degli augelli sussuro, e l’aura fresca,

e le ridenti piaggi benedico

Leopardi, la vita solitaria

 

The Italian architect Francesco Borromini was born in Bissone – on 25.09.1599. 02.08.1667 he committed suicide in Rome.

As a mason in the workshops of the San Pietro, he worked under the other building master, Bernini. Afterwards he went on with his own designs and compete with his master’s.

Where Bernini is overstated baroque, Borromini produced the understated version. The almost entirely white interior of his San Ivo, with a floor of grey-white tiles, is astonishingly sober – certainly so after you have visited a Bernini church shortly before.

Bernini is giving you an overdose, his structures are in Marshal McLuhan’s terms hot. You can merely experience them by looking away, by only concentrating on parts of them – a most curious experience of what according to the baroque code is supposed to be a… Gesamtkunstwerk.

Borromini’s buildings, on the other hand, are of an absorbing insanity – cool media so to say. They do not pounce you, are not overpowering the visitor. They beckon like a Siren – at the risk of drowning in them, even becoming mad yourself.

Borromini also invented the San Carlo alle Quattro Fontane, the subject of the first of my Borromonini Verse – a church on the Via del Quirinale, distanced only ninety yards from Bernini’s Sant’ Andrea al Quirinale. Its ceiling is of a frivolous schizophrenia.

His San Ivo – a structure situated on a perfect symmetry axis – is hidden away in the grand city of Rome, in such a way that it is only to be found by way of a map in one’s hand.

SANIVO2

A spiraling lantern decorates its centre – a unique touch, as delicate as it is intriguing. Up there, I saw our sun standing off side.

Hopefully, the Borromini Verse indicate a parti pris – and why not, suggest my Wahlverwandtschaft with that man. This would not plead for my mental sanity. It was never the intention.

You like this blog? Send it to friends or acquaintances

BEKIJK OOK MIJN NEDERLANDSE DAGBLOG –sierksma.wordpress.com