FRIES EXOTISME

 

Nestgeur 33 [slot]

Voordracht gehouden in het kerkje van Blessum, even buiten Leeuwarden waar ik ooit werd geboren – bij de presentatie van Nestgeur, notities van een verdwaalde Fries [2013]
_______

Beine hat uns zwei gegeben,
Gott der Herr, um fortzustreben,
Wollte nicht, dass and der Scholle
Unsre Menschheit kleben solle.
Um ein Stillstandsknecht zu sein,
Gnügte uns ein einzges Bein.

Heine, Zur Teleologie

_________________________________________________

Graag wil ik U bij deze presentatie van mijn bundel even onderhouden met wat kanttekeningen die ik maar ‘Fries Exotisme’ heb gedoopt. Deze uitdrukking wordt in het volgende verduidelijkt.

In een grijs verleden – even grijs als mijn resterende haar intussen grauw is – emigreerden mijn ouders uit het Friese Noorden naar Hollands Westen. En ik met hen. Daarvóór al waren ze, toen ik een jaar oud was, vanuit Leeuwarden naar de stad Groningen vertrokken.

Zeg maar – stapsgewijs verraad…

Wellicht maakte deze – op zevenjarige leeftijd – geforceerde emigratie van mij een marginal man, een mens op de rand. Iemand, die danst op de contrasterende schijven van twee culturen, verscheurd door tweespalt en voortdurend opzoek naar een levenswijze die zijn scherven kan lijmen.

Een beetje, zoals de travestiet uit de fraaie Proveniershof in Haarlem. Gekleed in een lange jurk plus een bijpassend bloesje staat hij elke dag opnieuw met één been, soms slechts met een voet, buiten de poort van het hofje waarin hij woont.

Zijn andere been plant de manvrouw stevig op het vertrouwde erf – welhaast met het risico van een spagaat. Vaak ook houdt hij zich met gestrekte arm net even vast aan het poorthek. Een durfal.

Een marginaal mens wordt al gauw ‘een kruidje roer me niet’. Of een sjamaan, of een meedogenloos krijger.

Zijn lot ligt in handen der verscheurdheid. Op mijn dertiende vertaalde ik als gymnasiast eigener beweging een essay van Pascal – zonder er al te veel van te begrijpen. De leraar keek bij inlevering verbaasd op. Op schoolpleinen maakte ik gehakt van klasgenoten.

Wanneer er gasten waren, klonk thuis regelmatig het Fries in de oren. Die taal zou ik nooit leren. Uit sociaal idealisme lieten mijn ouders me verworden tot een Gronings straatschoffie. Bij aankomst in Leiden sprak ik hartverscheurend plat. Geen hond die me begreep.

Fries door geboorte en Gronings door een vroege jeugd, voelde ik me waar ik terecht kwam niet thuis.

Zoals Makine het in zijn Franse Testament beschreef: ‘Zij had haar Franse gevoeligheid doorgegeven aan mij, een Rus, en me er zo toe veroordeeld op een onaangename manier tussen twee werelden te moeten leven’.

Je kunt ook zeggen: in het Westen was ik niks – een non-entity, een lege zee tussen voor mij vreemde continenten. Schoolgenoten lieten niet na me dit in te peperen. Lang voelde ik de noodzaak me ‘in te moeten vechten’. Iets dat ik lange tijd met beide vuisten metterdaad deed.

Was mijn vader ‘eerste generatie’ marginal man, ik was ‘tweede generatie’. Misschien werd hij daarom wel een exotist – ik veeleer een culturele renegaat. Laat ik het uitleggen.

Exotisme is de lastig te omschrijven voorkeur voor het andere, het verre en het vreemde – uitdrukking van een verlangen anders te zijn dan degene die men is, zuiverder en fraaier.

Het woord komt van het Griekse ‘exootikos’ dat uitheems betekent. Voor negentiende-eeuwse Romantici was het een esthetische levenshouding. Ze zochten naar een onbekende, niet vertrouwde couleur locale, waarmee zij hun schilderijen en boeken konden larderen.

Kolonialen, die vanaf het begin van de 19e eeuw de nieuwe gebieden ter plaatse beheerden, hadden met die andere, vreemde wereld weinig op. Ze klaagden steen en been over incest, koppigheid en luiheid van de door hen overheerste volkeren.

Een onderofficier van de Britse marine berichtte over de bewoners van een Golfstaatje: ‘Wat betreft hun manieren – die hebben ze niet. Wat betreft hun gewoonten – die zijn zeer beestachtig’. Af en toe werd een wilde inboorling naar Europa verscheept en er, soms in een kooi, tentoongesteld.

Dit weerhield zogeheten ‘Romantische’ kunstenaars er niet van om een meer idyllisch exotisme te omarmen. Expliciet vierden ze het vreemde als extra mooi en als veel oorspronkelijker dan de eigen wereld. Kledij speelde een belangrijke rol.

Midden in Zwitserland liep Rousseau, een 18e-eeuwse voorloper van deze Romantici, rond in aan kaftan. De Romantische schilder Delacroix bereisde Marokko waar hij het betreurde hoe westerlingen zich ‘in korsetten snoeren, in te nauw schoeisel en in kokervormige kledij’.

Zulke 19e-eeuwse Romantische dichters en kunstenaars hadden weinig op met de fabrieken en spoorwegen die het eigen Europese landschap en hun steden destijds begonnen te vernielen. In 1844 schreef Wordsworth een gedicht waarin hij vaststelde dat ‘Engelse grond niet meer veilig is voor de snelle aanvallen’ van treinen.

Voilá! Zoveel over exotisme. De toehoorder kan zich voorstellen hoe een gedwongen emigrant – niet een reiziger uit esthetisch plezier, maar veeleer een soort balling die voor zijn werk de geboortegrond moet verlaten – na verloop van tijd het intussen voor hem vreemd geworden oude ‘vaderland’ extra aantrekkelijk gaat vinden. Zo iemand was mijn vader Fokke Sierksma – dit zelfs in toenemende mate. Hij leed aan omgekeerd exotisme.

Terwijl ik toen in Amerika woonde, schreef hij me tegen het eind van zijn leven sentimentele brieven over het Friese land en het helpen bevallen van koeien. Ik verweet hem ‘Friesisme’ en boerenmystiek – beide van het zuiverste Waddenwater.

Na zijn afdwalen van de bron werd hij in Holland meer Fries dan ooit hier ter plekke. Atheïst die hij was, leek hij toch op de malle gereformeerden in Hollandse kolonies in het Amerikaanse Michigan State. Daar zijn ze Roomser dan de Paus.

Als tweede generatie immigrant spiegelde ik dit curieuze exotisme. Het resultaat van deze beweging noem je een renegaat. Mijn vader omarmde alles wat mij in Friesland van de weeromstuit ging tegenstaan. Manhaftig probeerde ik een Westerling te worden. Omdat de nieuwe wereld daar niet bepaald prettig was, voelde ik me nergens thuis – ook niet in mijn vaderlijk huis.

Zo verdween ik in mezelf.

Bekenden wezen me op mijn scherpe tong. Toen ik later voor intellectueel ging spelen, lag mijn vaak harde kritiek op alles en nog wat in het verlengde van die thuisloosheid. Intussen is de blik milder, maar wellicht niet minder scherp.

Wat jaren geleden bezochten een bevriend kunsthistoricus en ik samen Leeuwarden.

We gingen de doeken bekijken van een ons onbekende Friese schilder – Bouke van der Sloot. Tijdens de heenreis maakten we kwinkslagen over Friese identiteit. De vrouw van de kunsthistoricus stamt ook uit deze streken.

Friezen zijn betrouwbaar en hechten aan eerlijkheid – opperde ik. Mijn reisgenoot vond ze vooral bot, heetgebakerd en af en toe sentimenteel – op een droge manier soms ironisch. Omdat we besloten dat zulke eigenschappen elkaar niet uitsluiten, trokken we de conclusie dat Friezen wellicht betrouwbaar, eerlijk, bot, heetgebakerd, droog ironisch en sentimenteel zijn.

Deze gedachtewisseling bereidde ons voor op de tentoonstelling van het werk van Bouke – volgens de catalogus ‘Schilder van Friesland’.

$_82

God zij dank ben ik kunstkenner noch kunsthistoricus, hooguit een liefhebber. Schaamteloos permitteer ik het me om precies te zeggen wat ik van kunst vind. ‘Wat een rommel’ fluisterde ik een beetje te hard. ‘Alleen die drie stillevens en twee duinschappen zijn niet slecht. De rest is bedonderd geschilderd’.

Een zaal verder stonden we oog in oog met enkele jongenskoppen – ‘stoer en hard, maar toch gevoelig’ had Reve kunnen schrijven. Op de achtergrond echt Fries ogende akkers en boerenhoeven. In de buurt hing een in mijn ogen gruwelijk geschilderd dorpje.

S_bouke_van_der_sloot

‘Wel erg veel Zeitgeist‘ mompelde ik. ‘Misschien geen Blut und Boden, maar toch minstens Boden‘. Het werk zou op een Duitse tentoonstelling van nicht entartete Kunst niet hebben misstaan. Merkwaardig genoeg werd het meest Arisch ogende doek in 1942 gesigneerd, dus tijdens de oorlog.

Toch was Van der Sloot ‘best wel goed’. In elk geval niet ‘fout’. Direct na de oorlog ging hij naar Keulen waar bij wijze van Widergutmachung het werk van Max Beckmann werd tentoongesteld. Bouke was een vloeker, iemand van ‘Godverdomme wat mooi, Jezus Christus wat prachtig’.

Tierend van opgewonden enthousiasme liep hij door zaal na zaal met Beckmanns. Toen hij een ruimte betrad waarin een ‘typisch Duits wijf’, zoals hij haar noemde, op knauwende wijze enkele kunstminnaars het werk stond uit te leggen, liep Bouke er langs, draaide zich om en riep met gestrekte arm Sieg Heil. De ‘Schilder van Friesland’ werd met harde hand uit het museum verwijderd.

Waarom ik Bouke erbij haalde? Om duidelijk te maken hoe onduidelijk alles is wat met ‘identiteit’ heeft te maken. Je bent deel van de tijd waarin je leeft, Bouke dus van de geschiedenis tussen de twee Wereldoorlogen. Dat zie je in zijn werk.

Tegelijk zijn er van die Zeitgeist tegenstrijdige versies. Je kunt rechts Blut und Boden zijn, maar ook een beetje links. Bouke mag weliswaar ‘links’ zijn, de betichting van moord richting immigranten door de Friese Vaatstra’s en consorten, na de dood van een familielid, vergeet je niet makkelijk.

Iemand die me niet kent, zal ongetwijfeld in mij iets van die Friese roots aantreffen, ook al herken ik die zelf niet en al staan ze me verre. Mijn renegatisme heeft ze zeker niet vernietigd.

U kunt zich nu voorstellen hoe bijzonder het voor mij was om – nadat Goasse Brouwer instemde met de publicatie van Nestgeur – het geheel in het Fries gestelde contract te ondertekenen, zonder daarvan veel te hebben begrepen. Wellicht schonk deze onnozele al zijn materiële en intellectuele eigendommen onwetend aan diens Utjouwerij…

Het was ook een schok voor mijn Hollandse vrienden om de uitnodiging voor deze middag te ontvangen, geheel gesteld in een voor hen onbegrijpelijk Fries.

*

Zoveel is zeker. Een marginaal mens observeert allicht beter dan iemand die met zijn zogeheten identiteit samenvalt.

Een marginaal mens wordt nooit een provinciaaltje. Juist dat is het risico van de thuisblijver.

Misschien slijpt deze marginaliteit wel de pen.

BEKIJK OOK MIJN DAGBLOG –sierksma.wordpress.com
Sierksma, Haarlem, Maart 2013

STOF Nestgeur 32

…als ik tot slot
ja, sterf eigenlijk, god,
wat vergaat op dat ogenblik,
de wereld of ik?

Leo Vroman

___________________________

Ergens in een achterkamer hangt een tekening van Marc Chagall, neergezet op een vel pakpapier van het soort waarin ooit exemplaren van het tijdschrift Podium naar boekhandels en abonnees werden verzonden. De Russische schilder was op de drukkerij te gast bij de redactie. Iemand vroeg hem om een illustratie, in enkele forse lijnen zette hij het sterke beeld neer.

Mijn vader nam de tekening mee naar huis, intussen achter glas gezet verhuisde ze naar verre streken.

Cagall, De Vechtende Aartsengel, pentekening  +/- 1946
Cagall, Vechtende Aartsengel, pentekening 1949

Een curiosum van een zekere picturale schoonheid. Daarom liet ik er een deskundige naar kijken met de vraag of de prent gerestaureerd kon worden. Uitgesloten – het papier is tot stof verworden, alleen de lijst en het glas houden alles nog net bijeen. De minste aanraking doet de engel verpulveren, zoals ook de oude nummers van het tijdschrift Podium intussen op mijn boekenplank vergaan.

De aartsengel – ontpopt als vlinder. Raak het vleugelstof aan en het schitterende beestje gaat te gronde.

Mijn collegeseries begon ik soms met dit adagium:

‘Het hogere is overal en altijd het hogere van het lagere.’

Slechts voor een gelovige kan het hogere vallen. Engelen zijn echter altijd al gevallen. Niets is zuiver, alleen een puritein die erin gelooft. Voor ongelovigen komt de ‘gevallene’ juist thuis. Denk aan de gelukkige engelen in Wenders’ film Himmel Über Berlin. Ze komen op aarde terecht – eindelijk voelen ze, eindelijk genieten ze. Eindelijk mogen ook zij pijn lijden!

Antieke goden waren nog tastbaar. Hermes – de beschermer van handel, dieven, reizigers en kudden, tevens boodschapper voor de andere goden – werd voorgesteld met schoenen aan en een hoed op, beide getooid met vleugeltjes. De engel als Frühgeburt.

Met Chagalls etherische schilderijen voor ogen begrijp je Hermans’ aversie tegen godsdienstige dwepers nog beter. Volgens hem werd in de kring rond Podium, waarvan hij bij ons thuis de redactiebijeenkomsten bezocht, ‘te veel over Ter Braak en het christendom geluld’. Ook die andere gast op deze bijeenkomsten, toen nog Van het Reve, vond Chagalls werk kitsch. ‘En dan nog slechte kitsch, want die bestaat ook.’

Hing mijn vader om esthetische redenen Chagalls tekening aan de studeerkamerwand, of zag hij ook iets in diens zweverige schilderijen? Dit vroeg ik hem nooit, het komt pas nu bij me op. Hij was trouwens inderdaad een fan van Ter Braak, maar van het christendom moest hij niets hebben.

Wanneer mijn moeder deze wereld zal verlaten, is Chagalls Aartsengel ten dode opgeschreven. Het verdrietige moment waarop we hem zullen moeten verhangen.

Stof zijt gij en tot stof zult ge wederkeren.

BEKIJK OOK MIJN DAGBLOG –sierksma.wordpress.com

Sierksma, La Roche-Haarlem, 2012

PRIMA Nestgeur 31

Het ruimen en reinigen van de kelder is de laatste klus voor mijn vertrek naar Frankrijk. Mijn zus en ik kwamen er de vorige keer niet aan toe. Dit keer doe ik het alleen. Haar morele steun moet ik vandaag missen, samen overtuigen we mama beter dan elk apart.

Haar kelder is zo’n ellendig diep gat, gelegen onder het steile trappenhuis van de bovenburen. Hoe verder je erin wilt, des te dieper moet je bukken – een biechtstoel voor heidenen. Dat mijn wankele moeder dit nooit meer doet verbaast niet.

Eerst komen de planken aan de beurt. Daar staan zeker vijftig al dan niet gevulde oude pindakaaspotten en oploskoffieflessen op vettige, krullende zeiltjes. Van de meeste is de schroefdop zichtbaar voorbij de houdbaarheidsdatum, het plastic uitgedroogd. Veel dekseltjes zijn craquelé of zelfs gescheurd.

Fles na pot leg ik ter keuring voor. ‘Waarom bewaar je toch al die lege dingen, mam?’ Schichtig kijkt ze om mij heen alsof zich daar, achter me, een goede reden verborgen houdt. ‘Waarom trouwens ook de gevulde?’ ga ik wreed verder. Sommige ervan zitten vol met tot steen verworden suiker of met iets zo onduidelijks, dat het de vraag is of het ooit wel voedsel was.

Mijn moeder – kind van de Grote Krach in het interbellum, de prototypische hamsteraar, altijd bang dat het geld op is, steeds benauwd dat de voorraad is uitgeput, altijd bevreesd dat we allemaal worden ontslagen. In Groningen lag er ook al van alles in stapels of het zat in potten en potjes. Later in Leiden potte ze geld. Hoewel er daarvan voldoende was voor een iets leuker leven, moest ik na het gymnasium thuis blijven wonen en van een habbekrats studeren.

Mijn vragen kan ze niet beantwoorden. Er is immers geen reden voor die voorraadwoede, mijn moeder valt ermee samen. Gelukkig heeft ook deze keer alle rotzooi weer een eigen overredingskracht. Na anderhalf uur zwoegen staat de gang vol flessen en potten, die ik later in plastic zakken mee naar Haarlem neem om er een hele glasbak mee te vullen.

Na de planken duik ik dieper de kelder in. Verstoken achter halfvergane dozen en verroeste voorraadbussen staat een arsenaal van intussen merendeels etiketloze flessen. Ze zijn gevuld met het grootste bocht dat een serieuze alcoholist zich maar kan wensen. Nadat mijn vader zich naar de andere wereld had gezopen, kwam het bij mijn moeder niet op om zijn liquide proviand te verwijderen. Een halve eeuw stond het daar onaangeroerd, onder meer een literfles 35% ‘prima’ alcohol waarvan ik het etiket meeneem.

DSCF3235

Zelf doet mijn moeder het tegenwoordig met droge sherry van een bedenkelijke kwaliteit. Daarvan sla ik per maand zo’n twintig literflessen voor haar in, aan drank in huize Sierksma geen gebrek. Je kunt nooit genoeg van iets in voorraad hebben, toch? Waarom ze geen café begint, vraag ik haar.

Zorgelijk kijkt ze toe. Dan open ik moeizaam vaderlijke fles na vaderlijke fles en kieper liter na liter van allerlei intussen merkwaardig verkleurde vloeistoffen de gootsteen in. ‘De zonden van mijn vader!’, roep ik over mijn schouder heen.

Na grondig doorspoelen geurt de keuken uren later nog steeds als een jeneverstokerij.

BEKIJK OOK MIJN DAGBLOG –sierksma.wordpress.com
Sierksma, 2013

DE KOLENKIT Nestgeur 29

KIT

Wie vroeger vanuit Haarlem naar Amsterdam reisde, zag al van veraf aan de stadszoom een merkwaardig bouwsel staan – De Kolenkit, zoals de kerktoren in de volksmond wordt genoemd. Pront stond hij daar, zodra de dagen kortten werd hij aangelicht. Kwam je langs de trekvaart, je wist het meteen – de Grote Stad begint. In de loop der jaren raakte de kerk verscholen achter allerlei hem kleinerende hoogbouw.

De Kolenkit
De Kolenkit

Toen ik hem in een grijs verleden voor het eerst zag staan, herkende ik in die kerk direct een kolenkit. Een eigennaam was het, geen bijnaam.

De lange vingers van het verleden. In het nog kille donker schepte ik als jongen met een versleten, metalen versie van de Kolenkit in de zeer vroege ochtend antraciet uit ‘het hok’. In het begin van de winter eerst nog hele brokken, langzaam aan brokjes, ten slotte bleven vooral schilfers over en zelfs stof. Mijn moeder lukte het een winter lang de kachel brandende te houden, een toverkol die, na heftig sjorren aan het rooster, met een zwiepende krant elke morgen het heilige vuur weer uit de schijnbaar dode as liet herrijzen.

Was de antraciet bijna op, maar werd de bestelling van een nieuwe voorraad even uitgesteld, dan veroorzaakte het scheppen een steeds dichtere stofwolk. Een mijnwerker had er stoflongen aan overgehouden. Binnen hield je enkele seconden de adem in, vluchtte even hijgend naar buiten, om dan opnieuw de bovenaardse schacht in te gaan. In het winterseizoen de hel voor beginners.

Ooit veranderde de stook van kolenkachels een woonhuis in een grot vol spelonken. Eén daarvan raakte snel oververhit, in andere nissen vroor het soms flink, ijsbloemen stonden op de ruiten. De komst van de geurloze centrale verwarming maakte hieraan een eind. Of je moet op een wintermiddag vergeten om tijdig de radiator in de slaapkamer open te draaien. Wellicht onbewust op zoek naar mijn moeder en naar die kolengeur overkomt me dit wel eens.

De oude boerenhoeve van een kennis in de Franse Brenne beschikt over een bijzondere kachel, een ruim twee eeuwen oude broodoven waarvan de vloer plat en rond is, met een laag, ovaal dak en een middellijn van drie meter. Ze stookt daarin hout dat in de frisse buitenlucht is verzameld en daar tot grove blokken wordt verhakt. Van kolen heeft deze met eiken gul beboste streek geen weet.

De wulpse ovenmond opent zich in de grote woonkamer. In de kachel zelf zit geen schoorsteen, anders had men vroeger de temperatuur voor het broodbakken niet kunnen regelen. Een brede schacht tegen de binnenmuur zuigt de ovenrook de kamer in. Gestaag welft deze sierlijke, witte sluier door de kamer heen naar buiten, echt stinken doet het niet.

Uit mededogen voor niet-rokers smookt mijn gastvrouw haar sigaretten, zittend op een stoel vóór de oven. Rondom het blonde haar klimt de tabaksrook naar boven en mengt zich met de ovenslierten.

Zo gaat ze in rook op.

IDYLLE Nestgeur 28

IDYLLE

Kinderen zoeken hun ouders niet uit. En vice versa. Gewild of toevallig, het lijkt van niet al te veel belang. Misschien krijgen ongewenste kinderen het wat zwaarder, soms hoor je van een jongen die een meisje had moeten zijn of omgekeerd.

Door mijn ouders gemaakt in de euforie van 10 mei 1945 was mijn komst intens gewild. Ze hadden met me gewacht tot de bevrijding. Drie jaar later verloren ze hun tweede kind. Hoewel gewild werd ik niet de zoon op wie ze hoopten. Misschien werd ik wel die ik ben omdat mijn moeder na het sterven van dit broertje haar levensplezier verloor. De dag zou komen dat ik als jongen in onze Leidse tuin met een hooggeheven bijl tegenover haar stond, even agressief als mijn hond Leeuw die haar ook niet moest.

In Groningen leek het nog een tijdje idyllisch. De mooie moeder was een verheven godin, een alleskunner.

La Mama
La Mama

Op een vakantiekiekje klim ik uit een duinpan.

Uw auteur in de duinen
Uw auteur in de duinen

Veel later dichtte ik:

KORREL

Ruim vier jaar oud, de duinpan ingerold,
een deuk in moeder aarde met wie ik daar toen lag.
Vlieland – een eiland heel de wereld.

Mijn buik op ‘t zand.
Vlak voor het linker oog die roodgeelgroene korrel.
Mijn eerste lief.

Daarná pas kwam de wondermooie mama,
– en lang daarna
de vrouwen en de taal en heel die rest.

De overstap van Groningen naar Leiden lukte nooit echt. In Oegstgeest begrepen de kinderen op het schoolplein mijn malle stadsgronings niet, ze lachten me uit. Het werd me te veel, ’s nachts trof mama me in bed huilend aan. ‘Ik sel learnn praettnn’, zei ik toen. Tijdens vechtpartijen bevrijdden onderwijzers met regelmaat schoolgenoten uit mijn wurgende greep. Mij moest je niet al te veel in de weg leggen.

Na jaren aanpassingsellende stuurden ze me naar Endegeest, het gekkengesticht in Oegstgeest met een afdeling voor verwarde kinderen van bezorgde ouders. Een halfjaar lang – elke week een dag, ter observatie en voor therapie. Daar dokterde men uit wie deze hedendaagse Kaspar Hauser was.

Kreeg mijn hele familie van moeders kant een tik van de Friese molen, waren mijn enge streken het resultaat? Zochten we daarom gekken uit als partner? Mijn vrouw ziet veel in de eerste hypothese, weinig in de tweede.

Waarom niet Maigret in de arm genomen? ‘Wilt u zeggen dat het een gek is?’ ,vraagt een inspecteur aan zijn chef. ‘Zo ver wil ik niet gaan,’ antwoordt deze, ‘veel mensen zouden zeggen: een zonderling.’

Zo is er gekte in allerlei gradaties.

TERPEN Nestgeur 27

En ik, vervuld van licht geloof,
Zong allen toe…

Poesjkin, Arion

———————————–

Geschreven aan een gereformeerde achterneef die enige tijd op een mensgemaakte heuvel leefde:

‘Op een terp, Peter, is het groots huizen. Niet megalomaan, zoals bepaalde Heren op hun Alpen – wel als een vorstje, een heer op de kleine vierkante meter van de eigen geest, met een licht verheven uitzicht over althans een deel van de wereld. De terp, uit nood geboren – een pleisterplaats voor ontheemden.’

Oecumenisch antwoordde de neef vanaf zijn bergje:

‘Gerard Brom, de oude roomse kunsthistoricus, schreef ooit: ‘Omdat ik alleen ben, kan ik met veel mensen spreken.’ De meeste schrijfsels blijven echter monologen.’

Niet ‘de meeste schrijfsels’ – elk schrijfsel is een monoloog. Je schrijft over dingen en over mensen – niet in de eerste plaats aan iemand. Via zijn tekst spreekt de schrijver met niemand, hooguit met zichzelf.

Van vóór de stevige dijken stamt de Friese gewoonte om her en der het vlakke, natte land tot vloedvrije terpen op te hogen. Dan volgde de even uitputtende bouw van een kerk, een tijdrovende klus voor die paar in dat uitgestrekte land verdwaalde boeren. Rondom liggen de zerken.

Terp te Wetsens
Terpkerk te Wetsens

In een verheven, zij het nederige terp is het goed begraven. Donderdag de negende april van het jaar onzes Heren 1998 werd even boven Dokkum mijn oom ter aarde besteld. De dag voorafgaand aan zo’n begrafenis wordt in de eens zo moeizaam opgeworpen heuvel een kuil gedolven. Alsof men zich bedenkt en alsnog terug wil naar de begane grond.

Dit spiegelt het gedrag van Franse edelen. Deze slechtten juist hinderlijke heuvels en ommuurden dan hun terrein, teneinde anderen om hun tuin te leiden. Daarna werd binnen die omheining op een zelfverkozen plek een nieuwe kunstheuvel opgetrokken, om vanaf die zelfontworpen hoogte alsnog over de schutting naar buiten te kunnen kijken.

Vanaf de terp te Wetsens dwaalde het oog over omliggend land. Daar dacht ik met mijn goddeloos hart aan mijn al even goddeloze vader, die zijn veel jongere broer niet meer heeft kunnen begraven. Toen klonken voor het laatst en luid de volledige namen van mijn gelovige oom – Meindert Metten Sierksma. Om snel op de wind te verwaaien.

Een terp, de hemel voor Friezen. Allicht het voor hen hoogst bereikbare.

RANDFRIES Nestgeur 26

RANDFRIES

Mijn moeder is een Friezin uit de omstreken van Harlingen, haar voorouders stammen uit het Duitse Ost-Friesland. Mijn vader was een Fries, met rondom Dokkum een stamboom van eeuwen. Hij schreef essays in de taal en bezong steeds vaker zijn roots in het Verloren Land. Soms proefde je schuldgevoel over zijn exodus naar het Westen. Op zijn oude dag hielp hij in Gaasterland koeien bevallen, hij schreef me daarover een sentimentele brief. Vanuit ver Amerika verweet ik hem boerenmystiek.

Ben ik wel een echte Fries? In de oorlog – zo ging het verhaal – plukten de Duitsers een broer van mijn moeder van de straat. Beide ooms oogden als verdwaalde Portugese Joden, met fraai gesneden, lange koppen, vol donker krullend haar dat verder niemand in de familie had. Met het waarmerk van Friesheid in de hand moest Pake de Polizei van zijn Arische afstamming overtuigen. Mijn puriteinse Ama kun je deze zichtbare bloedschande niet aanwrijven. Vast deelde een zuidelijke soldaat in de Tachtigjarige Oorlog het warme bed met een verre grootmoeder.

Uit deze ouders in Leeuwarden geboren lijk ik toch raszuiver. Mijn doen en laten vindt iedereen die me kent echter on-Fries. Een randfries ben ik, misschien wel een landverrader.

Even boven Groningen bewonen twee oude bekenden een nieuwe ‘oude’ boerderij. Na een weekend daar gaat mijn terugtocht via Friesland – dat Baskenland van het Noorden, zoals ik het aan buitenlandse gasten uitleg. Verstrikt raak ik in een web van smalle, krommende weggetjes, het eindeloos vlakke land begint te drukken. Zelden kun je hier boven de dertig, op de provinciale wegen mag je niet harder dan tachtig. Het geeft de chauffeur de gelegenheid om over al die uitgestrektheid te mediteren.

Frieslands Groene Woestijn
Frieslands Groene Woestijn

Zoveel is zeker, ik ben het vleesgeworden argument tegen elke ideologie die zich baseert op Blut und Boden. Zou die onzin kloppen, dan had ik blindelings, als een goed gerichte postduif met etnisch ijzer tussen de ogen, mijn weg vanuit Groningen naar het Dokkum van de voorvaderen moeten kunnen vinden. Nu vraag ik keer op keer de weg en heb moeite met het malle taaltje.

Al die verlaten dorpen en dorpjes ontregelen je kijk op dingen. Zo’n zondagmorgen kun je overal risicoloos een kanon afschieten, welhaast iedereen lijkt geroepen tot de Here. Bij het passeren van een brug lees ik op een bord van de weeromstuit:

BIJBEL SIGNAAL

Verderop besef ik dat er ‘Bij Belsignaal’ zal hebben gestaan.

In Dokkum is het eender, geen kip te bekennen. Even buiten het stoere bolwerk blijkt er van Pake’s eerste garage niets over. Ook hier roept het bloed niet, de in dit stadje resterende neven laat ik voor wat ze zijn. Er staan veel godshuizen, maar geen café is open. Bitterballen nuttig ik dus in de lobby van het lokale hotel.

Dan ga ik nog maar eens op zoek naar zo’n heidense drankgelegenheid. Op de kale markt loop ik als een mirakel twee katholieke zuiderlingen tegen het lijf die, net als ik, tevergeefs op zoek zijn naar hetzelfde. ‘Zal wel liggen aan dat geloof hier’, zegt de man ongevraagd.

Dan schiet me een aangetrouwd familielid te binnen. Hij verruilde zijn lagere functie bij een Maastrichtse inrichting voor die van directeur in een Fries gesticht. Al na een jaar zei hij tegen mijn schoonzus: ‘En ik die dacht te weten wat het is om gek te zijn. Pas in Friesland begreep ik het. Gereformeerde gekken, die zijn pas echt geschift!’

Tijdens de bitterballen las ik in het Friesch Dagblad een artikel over ‘groeiend antisemitisme in Buitenpost, Leeuwarden en Sneek’. Mijn verzetsvader draait zich om in zijn urn. Hij hield me altijd voor dat zoiets in het Vaderland niet bestond. Wij weten nu beter – eigen volk eerst en op de auto een schildje met FRL. Ter compensatie van dit bericht herdenkt dezelfde krant de karmeliet Titus Brandsma die in 1942 in Dachau door de Duitsers werd vermoord.

Friezen – een volkje van extremen. Ooit kordaat in hun welgemikt verzet tegen de Moffen. Maar tegenwoordig zie je hier van die akelig bleke jongens in bomberjacks, vooral ook veel zwaarmoedige types. Wellicht is dit te wijten aan die kale, groene woestijn. Het doet iets met je hoofd.

Lege_weg_14_Dokkum[1]

EEN IS UW MEESTER EN GIJ ZIJT ALLEN BROEDERS

Na lezing van deze stichtelijke woorden, in grote gulden letters aangebracht op de kerk van de Verenigde Christelijke Gemeente, ontvlucht ik mijn vaderland en rijd, gedoogd door onze regering, met 131 kilometer per uur over de Afsluitdijk terug naar de bewoonde wereld.

Zelfs het vlakke IJsselmeer verveelt niet.

MEMENTO NESTGEUR 24

Na dagen fietsen bereikten we het zuiden, twee jongens van vijftien. Een man in een Limburgs café hielp ons ’s avonds laat aan een slaapplaats. Het hoosde, de tent opzetten kon niet meer. In een mergelgroeve kweekte hij champions. De grotten kende je uit verhalen over in gangen verdwaalde mensen van wie de geraamten waren teruggevonden met de vingerkootjes weggesleten. Tijdens hun machteloos zoeken naar de verdwenen uitweg schuurden de vingertoppen langs ruige kalkwanden weg.

imagesCAJ1N9EOMergelgrotten in Valkenburg

Het voorgeborchte van de hel, we twijfelden even. De fietsen gingen tegen een heuvel, de bepakking namen we mee naar binnen. Met een staaflantaarn verlichtte de gastheer zijn tunnel. De slaapplaats was kil en stil, het rook er muf. Onze zaklamp waren we de vorige nacht kwijtgeraakt, zijn lamp nam hij weer mee. ‘Tweemaal rechts, een keer links – dan nog eens rechts en jullie staan weer buiten.’ Toen was het aardedonker.

Geen oog deden we dicht, we praatten nog wat en deden daarna alsof. Slaapdronken stonden we de volgende ochtend zeer vroeg alweer buiten. Het in dat diepe duister verzamelen van de bagage was een bezoeking. Die nacht brak voor het eerst de vriendschap tussen ons in tweeën, hij fietste naar een verder gelegen zuiden, ik ging via Gelderland weer op huis aan. Toen kwam het wel weer goed.

Op onze zevende leerden we elkaar een dag na mijn aankomst in onze straat in Leiden kennen. Hij was mijn bovenbuur. Zij hadden een balkon, wij een tuin. We sloten vriendschap voor het leven, dacht ik. Was ik vreemd, hij was veel vreemder – zoiets weet je op die leeftijd alleen nog niet. Weer zie ik hem elke scherf of steen van de straat of van een bouwplaats oprapen. Vlakbij het oor tikte hij ertegenaan om te horen hoe zijn vondst klonk, misschien toen al op zoek naar een hogere harmonie. Militaire psychologen keurden ons beiden af, aan ‘instabiele’ jongens met S5 had de kazerne geen behoefte.

Al vroeg verving Hans zijn oudere broer. Met regelmaat en voor ons goed hoorbaar werd die boven ons door hun vader van de ene naar de andere hoek van de kamer geslagen. De oudere broer was het zat en sloeg terug. Hans mocht als pispaal dienst gaan doen, beneden hoorden wij ’s mans gebrul en zijn gejank.

Op mijn eigen wijze laf sprak ik nooit met hem over die terreur. Op de begrafenis van zijn veel te jong overleden pa, een lot dat we deelden, jankte Hans jaren later een loflied op zijn ‘lieve vader’. Dat slachtoffers zich met hun beul identificeren heeft me daarna nooit verbaasd.

Onze vaders haatten elkaar – de zijne een oud-Indiëganger, de mijne een rare, kunstzinnige intellectueel. Over die grens heen sloten wij tweeën een woordloos pact, een vriendschap geboren uit tegendelen. Dat was allemaal hun zaak, niet de onze.

Wij waren weliswaar alle twee ‘instabiel’ bevonden, Hans was echter introvert, ik juist het tegendeel. Even oud verlieten we de middelbare school en gingen studeren, hij medicijnen, ik sociale filosofie. Hij luisterde naar klassiek, op zijn suggestie ik af en toe. Mijn platencollectie bestond, naast wat Bach en Mozart, vooral uit jazz. Op de radio luisterde ik naar rock.

Haatte ik de winter, hem zag je bij min acht in volle vaart op de fiets van college komen, in een overhemd met open boord, met daaroverheen slechts een colbertje waarvan de fladderende panden leken op vleugels – de lange, magere jongen die hij altijd zou blijven.

Mijn vrouw liet hem later kennismaken met haar beste vriendin, net als zijzelf een prachtige Indo, maar iets ouder. Wij vieren waren verslaafd aan monopoly. Na een weekend bij haar in Voorburg ging de vriendin zondagavond gewoon slapen, ze moest immers naar haar werk. Wij zaten wat ruimer in onze tijd. Maandagochtend trof ze ons drieën hologig aan, nog steeds fanatiek bezig met het zoveelste spelletje. Op de terugweg naar Amsterdam stopte ik onze 2CV driemaal langs de kant van de snelweg en hield daar met een sneeuwbad de ogen open.

Hun verkering was al een jaar uit, toen Hans me vroeg om naar Leiden te komen. Of ik een oordeel wilde vellen over zijn nieuwe vriendin. Hij wist al lang dat ik de pest aan haar had. In het restaurant viel hij met de deur in huis. Wat ik er als zijn beste vriend van vond wanneer hij met de nieuwe dame ging trouwen? Zoiets kun je mij toch niet vragen, Hans, dat weet je best. Vergif! Hij beende het restaurant uit. Een kwarteeuw later zagen we elkaar pas terug, intussen was hij voor de derde keer getrouwd met opnieuw een type dat me tegenstond.

Kortgeleden begroeven we hem, de zoveelste leeftijdgenoot onder de zoden. Zijn keramisch getik paste bij een boeddhist, de begrafenis wasemde echter een wee christendom. Of Hans gelukkig was geweest, vroeg zijn zoon aan de baar. Hij vond van wel, Hans had immers vaak gelachen. Die lach herinner ik me slechts als een grimas.

Voor hij stierf, keerde hij na vijfendertig jaar terug naar de vriendin van mijn vrouw. Ze had na hun debacle nooit meer een ander gezocht, toch verzorgde ze hem in zijn laatste jaren alsof hij daar na al die tijd nog recht op had. Op de begrafenis sprak ook een vrouw die enkele maanden tevoren, zo bleek, uit het niets was opgedoken, de dochter van een meisje dat Hans ooit zwanger maakte. De vrouw werd door Hans’ moeder de deur gewezen, ze zag hem nooit meer terug.

Guur, winderig en geel was het die dag. Zand op de kist.

AANGEKONDIGDE DOOD

Een vermaard boek van de Peruaan Marquez gaat over “een aangekondigde dood.” Is echter niet elke dood aangekondigd, ook al is dit voor een onzeker moment? Slechts een illusionist denkt eeuwig te leven.

Marquez had beter kunnen schrijven over Allemans aangekondigde dood. Wat natuurlijk niet wegneemt dat de ene dood nauwkeuriger wordt aangezegd dan de andere. Wie door een arts tot multipele sclerose of tot aids is veroordeeld, weet er meer van, dan wie in abstracto over sterfelijkheid gaat zitten piekeren.

Ook de vorm die de dood zal aannemen kan meer of minder helder worden aangekondigd. Vanmorgen, tien dagen voordat ik zestig hoop te worden, lag er een brief van het Leids Universitair Medisch Centrum in de bus. ‘Hoop te worden’ – mijn vader stierf ongeveer op mijn leeftijd en ik reken er nog steeds op om hem voor te gaan. De brief verkondigt de verhuizing van de Afdeling Anatomie. Wat moet een huisfilosoof van de Faculteit voor Architectuur hiermee, vraagt u zich allicht af.

Eén van de telefoonnummers in de brief is bedoeld voor “het aanmelden van overlijden.” Decennia geleden gaven mijn vrouw en ik ons op om, eenmaal dood, ons lichaam door Leidse dokterstudenten te laten versnijden. Dit leek ons, en dat lijkt ons nog steeds een uitstekende manier van recycling. Mijn keus is zeker beïnvloed door twee deskundigen – een schilder en een schrijver.

De anatomische les
De anatomische les

Rembrandts Anatomische Les maakte al vroeg grote indruk. Die geconcentreerde, klinische aandacht van de student voor een openliggende hersenpan, voor de uitgeholde buik van een vergrijsd lichaam. Dat preutse, doch esthetisch zo noodzakelijke, stralend witte laken over dijen en geslachtsdelen. Geen arts wordt een goede arts zonder die klinische blik en zijn vingers eerst in de dood te oefenen.

De schrijver heet Sade. Zijn filosofie sluit op brute wijze organische en anorganische natuur kort. Doodslag was voor hem eenvoudig “een transformatie van de materie.” Dit gaat me te ver, al te veel verschil tussen leven en niet-leven is er natuurlijk ook weer niet. Niet zó veel, dat ik wil doen alsof ik na mijn dood een beetje doorleef. Dat is de oplossing van gelovigen en ietsisten, die ‘ergens’ in ons of ‘ergens’ buiten ons een extraatje vooronderstellen, dat het ook uithoudt wanneer het lichaam ermee ophoudt.

Als oprecht atheïst – die overigens andermans geloof niet ter discussie stelt, mits die daar ook zijn mond over houdt – voel ik niets voor dit idee. Ik geloof in poezen. Wanneer hun leven erop zit, begraven we huilend hun lijkjes in de tuin. Toen ze nog leefden hield ik van hun ziel, deze beschouw ik als verdampt zodra het lijfje ermee stopt.

Zeer tot spijt van mijn vrouw, die soms ‘even niet moeilijk wil doen’ en wier ziel ik nog meer min dan die van mijn poezen, kan ik het maar niet laten om zelfs het meest vanzelfsprekende te ondervragen. Dus dacht ik na het lezen van mijn aangekondigde dood onmiddellijk aan mijn ogen en ingewanden. Ben ik dankzij deze anatomische regeling zonder omhaal ook orgaandonor geworden, of dient dit apart geschieden? Het blijft tobben.

BEKIJK OOK MIJN DAGBLOG –sierksma.wordpress.com

Sierksma Haarlem Zomer 2005

ROS Nestgeur 18

Enkele huizen naast de dame van de sprintles woonde nog een tweede ongetrouwde vrouw. Zij was veel jonger. Het gezicht kan ik me niet herinneren, wel de naam. We speelden elke dag met haar zoon, Peter van Z.

Wie me wel helder voor de geest staat, wier beeld zelfs het oude lichaam nu nog opwindt, dat is de rosse dame die van Peters moeder de zolderkamer huurde.

Lijpe Peter noemden we hem – het was een rare snuiter, in deze dagen zeker rijp voor het Riagg. Zulke hulpverlening had je nog niet, dus moest hij het doen met ons als therapie, zijn straatmaatjes. Aardig was hij wel, het kookte alleen soms heftig over.

Op een dag waren we aan het katrikken, een spel dat ze in Groningen tiepelen noemen – zeg maar straatcricket. Een kort stokje wordt over twee bakstenen gelegd, dan wip je het ding met een slaghout omhoog en geeft het een mep. De tegenpartij probeert het houtje te vangen en gooit het terug naar de bewaker van de stenen.

Peter kon niet tegen zijn verlies, zeker niet die dag. Hij had zijn eigen slaghout bij zich, met bovenin een platgeslagen spijker voor extra gewicht. Na een korte ruzie met straatoudste Herman haalde hij wild uit. Behalve een stuk onderlip ijlde ook diens voortand als een tiepelhoutje het heelal in. Zelden zo veel bloed zien vloeien.

Een week later nodigde Peter ons bij hem thuis uit ‘om naar de kamer van die rooie te komen kijken’. Een zoenoffer en een uitdaging tegelijk, hij vertelde erbij dat de huurster misschien thuis was. Herman had er geen zin in. Dit verbaast me nu nog, maar misschien wist hij al waar het bij vrouwen om te doen is. Hans en ik wilden best mee, wij waren negen jaar oud en nog vrouwonnozel.

Haar fiets stond in de tuin. Mijn Rosse Dame zal zo’n vijfentwintig zijn geweest, voor ons jonkies van negen, overvol van eerste vermoedens, een prachtexemplaar. Vuurrood was heur haar, ze droeg altijd artistieke kleren. Af en toe zag je haar door de straat fietsen, voor ons jongens een indrukwekkend, maar vooral vreemd wezen. Daar bleef het bij – tot die middag.

Hans, een neurotisch mager type, schrok op het laatste nippertje terug. Na wat aandringen door Peter ging ik mee naar binnen – riskant leven, zo jong al. Op de eerste verdieping liet ook Peter zelf het afweten, wel moedigde hij me aan om de zoldertrap naar haar kamer op te gaan.

Ze moet me hebben horen aankomen. Halverwege de trap was ik, voornemens om door het sleutelgat te loeren. De deur werd met een ruk opengetrokken. Gehuld in een opengeslagen peignoir van ijle stof torende de Rubeneske vrouw boven me uit. Niet alleen het hoofdhaar was ros, ook de magische driehoek.

Veel tijd om dit wonder van mijn eerste naakt te bestuderen nam ik niet. Met de god der kuisheid op mijn hielen snelde ik de trap af en het huis uit. Het rode schaamhaar van deze duivelin brandmerkte mijn verlangen, de rest van haar lichaam is intussen meer illusie dan beeld. Wat ze van plan was? Misschien alleen om me voor haar eigen lol te laten schrikken.

Zo werd ik Platonist – lang bleven vrouwen voor mij De Vrouw, een onstoffelijk Idee aan een hoge hemel. Pas veel later beroerde ik daadwerkelijk mijn eerste vrouwenlijf, ook toen restte er nog iets van die verhevenheid. Nog weer later, intussen getrouwd, liepen we op een avond in gezelschap van een bevriend echtpaar langs de Groninger rosse buurt. Nog net zag je in een zijstraatje een roodharige hoer haar klant de woning binnen trekken.

Toen sprak ik de sindsdien in onze kringen gevleugelde woorden: ‘Voor dat geld had hij toch een goed boek kunnen kopen!’