STOF Nestgeur 32

…als ik tot slot
ja, sterf eigenlijk, god,
wat vergaat op dat ogenblik,
de wereld of ik?

Leo Vroman

___________________________

Ergens in een achterkamer hangt een tekening van Marc Chagall, neergezet op een vel pakpapier van het soort waarin ooit exemplaren van het tijdschrift Podium naar boekhandels en abonnees werden verzonden. De Russische schilder was op de drukkerij te gast bij de redactie. Iemand vroeg hem om een illustratie, in enkele forse lijnen zette hij het sterke beeld neer.

Mijn vader nam de tekening mee naar huis, intussen achter glas gezet verhuisde ze naar verre streken.

Cagall, De Vechtende Aartsengel, pentekening  +/- 1946
Cagall, Vechtende Aartsengel, pentekening 1949

Een curiosum van een zekere picturale schoonheid. Daarom liet ik er een deskundige naar kijken met de vraag of de prent gerestaureerd kon worden. Uitgesloten – het papier is tot stof verworden, alleen de lijst en het glas houden alles nog net bijeen. De minste aanraking doet de engel verpulveren, zoals ook de oude nummers van het tijdschrift Podium intussen op mijn boekenplank vergaan.

De aartsengel – ontpopt als vlinder. Raak het vleugelstof aan en het schitterende beestje gaat te gronde.

Mijn collegeseries begon ik soms met dit adagium:

‘Het hogere is overal en altijd het hogere van het lagere.’

Slechts voor een gelovige kan het hogere vallen. Engelen zijn echter altijd al gevallen. Niets is zuiver, alleen een puritein die erin gelooft. Voor ongelovigen komt de ‘gevallene’ juist thuis. Denk aan de gelukkige engelen in Wenders’ film Himmel Über Berlin. Ze komen op aarde terecht – eindelijk voelen ze, eindelijk genieten ze. Eindelijk mogen ook zij pijn lijden!

Antieke goden waren nog tastbaar. Hermes – de beschermer van handel, dieven, reizigers en kudden, tevens boodschapper voor de andere goden – werd voorgesteld met schoenen aan en een hoed op, beide getooid met vleugeltjes. De engel als Frühgeburt.

Met Chagalls etherische schilderijen voor ogen begrijp je Hermans’ aversie tegen godsdienstige dwepers nog beter. Volgens hem werd in de kring rond Podium, waarvan hij bij ons thuis de redactiebijeenkomsten bezocht, ‘te veel over Ter Braak en het christendom geluld’. Ook die andere gast op deze bijeenkomsten, toen nog Van het Reve, vond Chagalls werk kitsch. ‘En dan nog slechte kitsch, want die bestaat ook.’

Hing mijn vader om esthetische redenen Chagalls tekening aan de studeerkamerwand, of zag hij ook iets in diens zweverige schilderijen? Dit vroeg ik hem nooit, het komt pas nu bij me op. Hij was trouwens inderdaad een fan van Ter Braak, maar van het christendom moest hij niets hebben.

Wanneer mijn moeder deze wereld zal verlaten, is Chagalls Aartsengel ten dode opgeschreven. Het verdrietige moment waarop we hem zullen moeten verhangen.

Stof zijt gij en tot stof zult ge wederkeren.

BEKIJK OOK MIJN DAGBLOG –sierksma.wordpress.com

Sierksma, La Roche-Haarlem, 2012

RUIMEN Nestgeur 30

RUIMEN

Enkele jaren geleden overwoog ik om de rommelkamer van mijn moeder te ruimen. Niet mijn moeder zelf, al zou ook dit een overweging waard zijn. Overplaatsing naar een tehuis waar voor haar wordt gezorgd lijkt immers zinvol. Ai, die onwil van onze genen om de eigen vergankelijkheid te accepteren!

Nu is het zover. Mijn zus en ik komen naar Leiden, zij van verre met de trein, ik van dichterbij met de auto. De voordeur open ik altijd met mijn eigen sleutel. Ook dit keer, want of mijn zus er al is weet ik niet. Mijn moeder heeft ‘nog goede oren – hoor!’, ze heeft dus ‘helemaal niet zo’n apparaatje nodig’. Zonder sleutel krijg je haar slechts per mobieltje aan de voordeur, de bel hoort ze niet, haar telefoontoestel nog net. Daarbij staat haar televisie onafgebroken zo loeihard aan, dat ook iemand met goede oren de deurbel zou missen.

Dit keer staat ze achter de deur op me te wachten, ik schrik me een ongeluk.

Na de koffie blijft het gas zonder vlam aanstaan. ‘Geen idee wie dat nu weer heeft gedaan!’ We kondigen het doel van het bezoek aan. De rommelkamer wordt uitgemest, de kelder wordt ontdaan van smerige stukken zeil op de planken – en nog zo veel meer. Daar komt niks van in, wat er in haar huis gebeurt bepaalt ze echt zelf wel!

In het rommelkamertje strijkt ze nog steeds haar wasgoed. Toen ik hiervan hoorde sloeg ik op tilt. De intussen vierennegentigjarige viel al een paar keer, compleet met bloedplassen op het tapijt en ambulances aan de deur. Zou zoiets haar tijdens het strijken overkomen, dan zie je het gloeiende ijzer al op de grond vallen.

De kleine ruimte is volgestouwd met versleten of niet meer werkende rotzooi. Zelfs ik, hoewel nog redelijk ter been en minder dik dan de moeder, kan me nauwelijks tussen de strijkplank en al die troep wringen. We overreden haar – ze mag buiten het kamertje op een stoel plaatsnemen. Met de deur open heeft ze vandaar goed zicht op ons doen en laten. Als een rechter oordeelt ze over de kwaliteit van het haar getoonde.

Morrend en mokkend worden we gadegeslagen. Elk geïnspecteerd bewijs van de vergankelijkheid der dingen is zo overstelpend dat het besef daagt, dat negen tiende van wat er allemaal ligt als grofvuil gaat verdwijnen. Bijvoorbeeld een door lekkage loodzwaar geworden pak schimmelende stoffen, spul dat ze lang geleden op de naaimachine omtoverde in voor mijn zus en mij schaamteverwekkende kleding. Met een overvolle auto rijden we driemaal naar de ‘milieustraat’.

Elke week doe ik voor haar boodschappen. Zeker één op de vijf keer moet er wc-papier worden ingeslagen. Waar ze het laat is een raadsel. Steeds krijg ik de instructie om een voordeelpak in te slaan. Dan opeens glijdt een oud gordijn van een hoge stapel troep die nog aan de beurt moest komen. Traag, als werd een kunstwerk onthuld, komt een flatgebouw wc-rollen tevoorschijn. Een tehuis kan er een jaar mee vooruit.

BEKIJK OOK MIJN DAGBLOG –sierksma.wordpress.com
Sierksma, 2013

TELOOR Nestgeur 22

Op het Noordstrand, met zicht op het uit zijn voegen gegroeide ‘zwarte’ vissersdorp Katwijk, zie ik ons weer in de Blauwe Tram vanuit Leiden naar hier komen. Mijn ouders, mijn zusje en ik – op pad voor een zondagje strand.

Eerst reed je door de wat minder gereformeerde negorij Rijnsburg, tenslotte woonde hier ooit Baruch Spinoza. Daar stapten achterlijk ogende moeders op de tram, met aan de hand hun kwijlende kinderen. Inteelt leerde ik op jeugdige leeftijd herkennen. Dit had met katholiek, doopsgezind of gereformeerd niets te maken, wel alles met de afgeslotenheid van zulke plaatsjes en, via een omweg, toch weer met het vaak benauwd religieuze karakter van zulke enclaves. Er zat weinig anders op dan het met je familie te doen.

Op de parking achter de Katwijkse duinen hoef je deze nazomerse oktoberdag niet te betalen, een metalen schild schermt de sleuf van de meter af tegen geld en zand. Op de kale steenvlakte staan hooguit tien auto’s te wachten. Vijftig jaar geleden was hier weliswaar al het strand, maar nog geen ‘Noordstrand’, laat staan deze parkeerplaats. Auto’s waren er maar weinig, vandaar ons vervoer per Blauwe Tram van en naar zee. Net als de Gele Tram die vlak langs ons huis naar Den Haag reed, is ook de Blauwe tramlijn lang geleden opgeheven.

In de adolescente jaren maakte ik in stevig stormweer strandwandelingen van Katwijk naar Noordwijk. Daar vandaan nam ik de bus terug naar Leiden. Vandaag is er geen horizon, verre nevels stikken hemel en zee naadloos aaneen. Op het strand rennen meer honden dan baasjes. Hun drollen zijn voor de golven. Toch presteert mijn linkerschoen het om er eentje op te pikken.

Na de wandeling heb ik dorst en zin in een haring. Dus steekt mijn auto de Leidsche Rijn over, de boulevard langs naar het oude dorp, richting Het Zwaantje. Ooit was dit een kleine, tussen duin en zeezand verdwaalde uitspanning. Mijn ouders zaten er de godganse zondag met versnaperingen en een boek. Mijn zusje en ik speelden, elk apart, beneden op het strand. Veel later vierden we hier met een visdiner de verjaardagen van mijn oud geworden moeder.

Die zeldzame keer dat mijn vader beneden op het strand kwam, stond hij prompt als een woesteling oog in oog met een ziedende Duitser die mij de toegang tot hún zandbunker verbood. Ze hadden de dag ervoor die bunker immers zelf gebouwd en met een vlaggetje erop achtergelaten. Die moffen leren het nooit, moet mijn vader gedacht hebben.

Er lopen op de parking naast Het Zwaantje controleurs rond. Die zag ik net te laat, de auto is al afgesloten. Hier opeens werkt de ‘urenteller’ weer wel. Toch maar geld pompen en het bonnetje achter de ruit.

Na bij de dame achter de bar een glas wijn te hebben besteld – haring hebben ze niet – loop ik naar een tafeltje binnen aan het raam om achter de terrasplek te kunnen zitten waar mijn ouders vroeger de dag doorbrachten. Op hoge toon krijg ik van de barmevrouw het bevel om in het midden van de zaal te gaan zitten. Aan raamtafels wordt slechts gegeten. Het glas wijn laat ik staan, buiten verfrommel ik het nu loze parkeerbonnetje, zweer hardop nooit meer terug te komen en rijd de boulevard af naar het zuiden.

Letterlijk alles is hier tegenwoordig georganiseerd. Met een grote klep veegt een oversized stofzuiger het strand schoon. De boulevard oogt als een steriele, metropolitane strip. Strak belijnde parkeerzones worden geflankeerd door lelijke lantaarnpalen – Feldwebels die alles en iedereen lijken te surveilleren. Laten ze over het duin heen nog wel waaizand toe?

Aan het eind van de boulevard is er warempel een ouderwets klein duincafé met een door raampanelen goed beschut terrasje. Het zoeken naar een functionerende parkeermeter leverde hier weer niks op. Aan een tafeltje voor het gebouwtje verorbert de eigenaresse enorme hoeveelheden van de zelfgeprepareerde lekkernijen, het is haar aan te zien. Bedeesd bestel ik een glas koele wijn, gegarneerd met een haring op uitjes. Dan ga ik het terras op.

Mussen worden strandjutters. Naarstig op zoek naar toeristenrestjes pikken ze tussen de terrastegels duchtig in het zand. Met Beethovens 11e kwartet op de oortelefoon, wat later zijn Grosse Fuge, zet ik tegen een toch kille wind vanuit de rug de kraag op. Mijn twee dagen geleden door cementwerk rauw geworden handen olie ik in met de haring. Straks thuis ben ik even de kattenvanger van Haarlem, daarna neem ik een warme douche.

In een lichte branding geven rustieke ruiters mijn antediluviaanse illusie een zetje. Goddank – na Het Zwaantje was mijn ziel een dweil. Aan het slot van Hustons Night of the Iguana – met Burton en die prachtige Ava – neuriet de oude dichter het vers waaraan hij al zo lang heeft gewerkt. Eindelijk is het af, dan sterft hij boven zee – de Cradle of life, de Moeder van alle Moeders, de zilt ruikende Origine du monde.

Weer zie ik mezelf als een Grieks krijgertje het Katwijker duin afrennen. Hoog daarboven staat als een Attisch veldheer mijn vader. Thalatta, oh thalatta!

ABSENT Nestgeur 21

Hotse was mijn allereerste jeugddood. Daarvan hoorde ik echter pas tijdens mijn voorbereiding van het eindexamen, mijn vader vertelde het me. Op een mooie lentedag in Leiden stierf het joch zestien jaar na dato. In februari gedenk ik hem. Wanneer je iemand niet hebt gekend is zoiets lastig. Vernoemd werd broertje Hotse naar onze Pake.

Bij de geboorte was hij al geestelijk gehandicapt, stierf daar in Groningen en verdween uit mijn leven. Het joch kreeg een longontsteking, mijn ouders haalden er geen dokter bij. Drie moet ik geweest zijn, ik herinner me er niets van. Hen kennende hebben ze hem niet voor me verstopt, ik was gewoon te jong om hem bewust mee te maken.

Al ver voor ik er die lentedag in Leiden van hoorde, bepaalde zijn dood mijn leven. Met hem stierf mijn moeder, voor mij althans verdween ze. Het ijzige besluit om niet in te grijpen verkilde haar hart, Hotse werd ons zwarte gat. Gezien foto’s en gehoord de verhalen van mijn vader en van hun vrienden was mijn mama ooit een wild en prachtig wijf. Tennis, dansen, jazz… Mooi bleef ze, na Hotse’s dood werd ze echter een verre, kille ouder met wie ik het een leven lang moest stellen.

Ook werd ze venijnig. Toen ik als student de brievenromans van Reve aanprees zei ze: ‘Die lees ik niet, die zijn niet goed, dat is een verschrikkelijke man!’ De schrijver leerde ze kennen in ons Groninger huis, tijdens de bijeenkomsten van de redactie van het tijdschrift Podium. Mama, riep ik, hoe kun je! Wat hebben zulke dingen nou met elkaar te maken?

xxx
Sjouk Sierksma en haar zoon – op zoek

In deze pitrietwieg ligt de pasgeboren Hotse. Waarnaar wij daaronder samen op zoek zijn blijft een raadsel. Het van schapenbond gemaakte dier op de tegelvloer was mijn onafscheidelijke Bonzo, een cadeau van Simon Vestdijk op wiens schoot ik heb mogen zitten zonder ooit een letter te hebben gelezen. Net als mijn moeder kwam hij uit Lahringen.

Had wellicht elke Casanova een verkilde moeder – probeert hij in al die vrouwen la mama te heroveren?

Die ijskoude dag in 1991 verdedigde ik mijn proefschrift. Direct na deze intellectuele doop reisde ik af naar Groningen, daar wilde ik het graf van broertje Hotse zoeken. Zoeken – niet bezoeken, ik had immers geen idee waar ik het kon vinden. Met mijn moeder durfde ik er nooit over te spreken, het enige taboe in mijn leven. Nog eens versterkt door de vroege dood van mijn vader duurde haar treurarbeid al zo lang, het kon gewoon niet. Dus moest ik in ver Groningen naar een grafje speuren.

Gemeentelijke kantoren bezocht, hypothesen geformuleerd, klein detectivewerk verricht. Gegeven het ongeloof van mijn ouders moest Hotse wel op een neutrale begraafplaats liggen. Daar toog ik heen. Geholpen door een opzichter bestudeerde ik zonder resultaat lange lijsten met namen. Of het graf werd geruimd, of het was er nooit. Ook een urn vond ik niet. In onze tuin in Haarlem liggen generaties beminde katten in onzichtbare graven.

Met een verkleumd hart reisde ik terug naar het eigen gezin, doordrongen van de overweging die me ons derde kind deed maken: de angst dat één van de andere twee voortijdig zou sterven. Er rust een vloek op, intussen zie ik deze dochter ook al niet meer.

AANGEKONDIGDE DOOD

Een vermaard boek van de Peruaan Marquez gaat over “een aangekondigde dood.” Is echter niet elke dood aangekondigd, ook al is dit voor een onzeker moment? Slechts een illusionist denkt eeuwig te leven.

Marquez had beter kunnen schrijven over Allemans aangekondigde dood. Wat natuurlijk niet wegneemt dat de ene dood nauwkeuriger wordt aangezegd dan de andere. Wie door een arts tot multipele sclerose of tot aids is veroordeeld, weet er meer van, dan wie in abstracto over sterfelijkheid gaat zitten piekeren.

Ook de vorm die de dood zal aannemen kan meer of minder helder worden aangekondigd. Vanmorgen, tien dagen voordat ik zestig hoop te worden, lag er een brief van het Leids Universitair Medisch Centrum in de bus. ‘Hoop te worden’ – mijn vader stierf ongeveer op mijn leeftijd en ik reken er nog steeds op om hem voor te gaan. De brief verkondigt de verhuizing van de Afdeling Anatomie. Wat moet een huisfilosoof van de Faculteit voor Architectuur hiermee, vraagt u zich allicht af.

Eén van de telefoonnummers in de brief is bedoeld voor “het aanmelden van overlijden.” Decennia geleden gaven mijn vrouw en ik ons op om, eenmaal dood, ons lichaam door Leidse dokterstudenten te laten versnijden. Dit leek ons, en dat lijkt ons nog steeds een uitstekende manier van recycling. Mijn keus is zeker beïnvloed door twee deskundigen – een schilder en een schrijver.

De anatomische les
De anatomische les

Rembrandts Anatomische Les maakte al vroeg grote indruk. Die geconcentreerde, klinische aandacht van de student voor een openliggende hersenpan, voor de uitgeholde buik van een vergrijsd lichaam. Dat preutse, doch esthetisch zo noodzakelijke, stralend witte laken over dijen en geslachtsdelen. Geen arts wordt een goede arts zonder die klinische blik en zijn vingers eerst in de dood te oefenen.

De schrijver heet Sade. Zijn filosofie sluit op brute wijze organische en anorganische natuur kort. Doodslag was voor hem eenvoudig “een transformatie van de materie.” Dit gaat me te ver, al te veel verschil tussen leven en niet-leven is er natuurlijk ook weer niet. Niet zó veel, dat ik wil doen alsof ik na mijn dood een beetje doorleef. Dat is de oplossing van gelovigen en ietsisten, die ‘ergens’ in ons of ‘ergens’ buiten ons een extraatje vooronderstellen, dat het ook uithoudt wanneer het lichaam ermee ophoudt.

Als oprecht atheïst – die overigens andermans geloof niet ter discussie stelt, mits die daar ook zijn mond over houdt – voel ik niets voor dit idee. Ik geloof in poezen. Wanneer hun leven erop zit, begraven we huilend hun lijkjes in de tuin. Toen ze nog leefden hield ik van hun ziel, deze beschouw ik als verdampt zodra het lijfje ermee stopt.

Zeer tot spijt van mijn vrouw, die soms ‘even niet moeilijk wil doen’ en wier ziel ik nog meer min dan die van mijn poezen, kan ik het maar niet laten om zelfs het meest vanzelfsprekende te ondervragen. Dus dacht ik na het lezen van mijn aangekondigde dood onmiddellijk aan mijn ogen en ingewanden. Ben ik dankzij deze anatomische regeling zonder omhaal ook orgaandonor geworden, of dient dit apart geschieden? Het blijft tobben.

BEKIJK OOK MIJN DAGBLOG –sierksma.wordpress.com

Sierksma Haarlem Zomer 2005

KAT OF SLANG

HET KWAAD

Het boek Genesis leert ons dat de slang niet koosjer is – gevaarlijk beest, Boodschapper van het Kwaad, Aanstichter van de Zonde. Volgens dit Woord van God is het vooral de vrouw die er wel oren naar heeft – tenslotte is zij het die de man verleidt. Een verwerpelijk staaltje misogynie, zo zal de rechtgeaarde feministe zeggen. En gelijk heeft ze.

In het schitterende boek van Robert Menasse, met de al even schitterende titel Die Vertreibung aus der Hölle, beschrijft hij aan het begin aan autodafe in, als ik het wel heb, Madrid.

Die Spaanse katholieken lustten er pap van. Niet alleen werden daar onschuldigen geroosterd – heksen, joden, you name it – ook de kat was er niet veilig. Menasse beschrijft hoe een arme poes openbaar wordt gekruisigd en verbrand.

In een ander boek, waarvan me de titel helaas even is ontschoten, beantwoordt een historicus de geniale vraag: Waarom breekt de pest precies op dat moment in de Middeleeuwen uit? Hij stuit op een correlatie tussen die uitbraak en de door de kerk verkondigde samenhang tussen kat en duivel. De kat werd opeens een verwerpelijk beest, overal in Europa vielen ze bij bosjes. De ratten, die de vlooien met de pestbacil bij zich droegen – al veel langer geleden helemaal hierheen getransporteerd vanuit India – drongen de steden binnen. Hun ‘natuurlijke’ vijand was daarin verdwenen!

Zo heeft in die dagen de kat als verpersoonlijking van Het Kwaad ’t van de slang gewonnen. Een kat is ook ten slotte meer een persoon dan een slang – met koudbloedigen heb ik echt helemaal niks.

Rembrandt, ets 1654 Marie met kind, kat en slang
Rembrandt, ets 1654
Marie met kind, kat en slang

Rembrandt heeft de kat weer opgewaardeerd, die is in ere hersteld. De slang doet ook mee, maar is toch niet indrukwekkend. Des schilders ironie spreekt uit zijn zelfportretten, dus waarom niet. Zie het beest eens heerlijk liggen – hoor hem spinnen, terwijl mama haar kindeke lekker knuffelt.

Ook de leeuwen op Rembrandts etsen met een woestijnthema zijn schatten – bekijk eens zijn Hiëronymussen. Rembrandt was een felijn, geen vilein man.

Wel lijkt hij, zij het understated, de in zijn tijd gangbare voorstelling van Maria te hebben overgenomen, die – just in time zou de Japanse manager zeggen – met haar voet de slang vertrapt. Ook op de ets van Rembrandt is, voor wie goed kijkt, onder de rand van haar kleed die voet nog zichtbaar.

De allermooiste versie hiervan is voor mij die van Caravaggio, hij nam hiervoor een doek van Figino uit 1590 als uitgangspunt.

Caravaggio, Madonna met kind en slang, 1605/6
Caravaggio, Madonna met kind en slang, 1605/6

Kijk eens naar dat lieve gezicht van Maria – wat een tederheid, wat een zorg! Het joch is ook lekker uit de kluiten gewassen, niet zo’n weeïg typje dat ons zo vaak werd voorgeschoteld. De voet-op-voet voorstelling is magistraal, niet eens gesproken van Caravaggio’s kleurenpracht.

Maar een kat ontbreekt bij hem. Aan Rembrandt, om iets later in de geschiedenis dit voor de mensheid onmisbare dier weer op de voorgrond te plaatsen.

BEKIJK OOK MIJN DAGBLOG –sierksma.wordpress.com
Sierksma

TEMPS PERDU Nestgeur 15

Mon père était vraisemblablement a cette époque un tout autre homme que celui dont je me souviens.

Malraux, La lutte avec l’ange

__________
Proust had aan één koekje genoeg om zich een heel leven te herinneren – dit althans suggereren de dikke delen van À la recherche du temps perdu.

Komt me voor als een hyperbool. Zo’n overdrijving is allicht een steuntje in de rug van de schrijver. Sinds Swaabs hersenonderzoek houd ik in de literatuurgeschiedenis niets voor onmogelijk.

Meer gewoontjes is een herinnering die wordt opgeroepen door het een foto – of door het terugvinden van een al lang verdwenen en vaak zelfs vergeten voorwerp – of, en wel vooral, door een terugkeer naar het huis waarin je opgroeide.

De serie korte teksten in mijn Nestgeur – Notities van een verdwaalde Fries werden me deels ingegeven door de bezoeken aan het geboortehuis in Leiden. Mijn moeder had hulp nodig. Het intussen aan de hand van steeds onduidelijker lijstjes routineus boodschappendoen brengt me er na jarenlange verwaarlozing wekelijks terug.

Zulk bezoek heeft soms materiële consequenties. Bij het aanleggen van een extra kabeltje voor een telefoonalarm trof ik een map aan, geklemd tussen een vochtige buitenmuur en de achterkant van het oude, jaren geleden verplaatste bureau van mijn vader.

Daarin zaten ondermeer twee aquarellen, liefdeloos in de weer om aan schimmel ten onder te gaan. Of mijn moeder daarin nog geïnteresseerd was? Een vraag gesteld zonder ironie – ze bezat voor die gespreksmodus nooit een antenne. Nee, niet echt.

Dus hangen nu in mijn eigen studeervertrek twee geredde tekeningen – een dagelijks genoegen. Een daarvan is dit straatbeeld, geschilderd in warm Chios.

J. H. Plokker, Straatje in Chios
J. H. Plokker, Straatje in Chios

Deze tekening bracht nu juist niet het eigen verleden terug – ze stelt de wereld voor als tegelijk in terra firma en als het begin van een door licht en schaduwen drastisch ontregelde chaos.

Mijn vader stopte het prachtige geschenk direct na ontvangt weg in die map. Van de bevriende schilder/psychiater Plokker hing er weliswaar ook werk aan de muren. Mijn vader was echter primair geleerd en literair ingesteld – muziek en beeldende kunst zaten bij ons thuis op het schellinkje. Deze aquarel zag ik nooit eerder, ze roept geen enkele herinnering op.

De moeder die ik elke week bezoek, heeft zich – inmiddels 96 jaar oud – voorgoed in dit vaderlijk studeervertrek teruggetrokken. Een kamer, die je vroeger niet zonder serieus kloppen mocht betreden. Er is niets veranderd – of het moet het bureau zijn dat nu tegen de vochtige buitenmuur staat en niet meer, zoals vroeger, tegen de muur langs de gang.

Zelfs in mijn bedonderde geheugen roept het betreden van deze ruimte herinneringen op die ik heb verwerkt in Nestgeur. De vraag is steeds hoeveel fictie en hoeveel ‘waarheid’ zo’n confrontatie met het eigen verleden oplevert. Confrontatie, geen zoektocht – in de eerste plaats werd ik erdoor overvallen. Dat waarheidsgehalte kun je nooit goed vaststellen.

Het studeervertrek voer ik niet op als een alibi voor mijn stukjes, zoals een Proust dit deed met zijn madelijnkoekje – een schelpvormig gebakje uit Lotharingen. Wellicht deed de rum daarin de auteur delireren…

In Simenons L’ Affaire Saint-Fiacre keert Maigret terug naar zijn geboorteplaats. Hij bezoekt zowel de oude woning, als het kasteel waar zijn vader ooit als régisseur du château werkte. Behalve zich dingen herinneren, beseft hij vooral onvoldoende afstand te kunnen bewaren tot de verdachten – gevolg van hun gedeeld verleden.

“Hij bekeek het onbeweeglijke decor om zich heen, waarin dertig jaren geen detail hadden gewijzigd… Als luchtbellen bleven herinneringen aan zijn kindertijd bovendrijven.”

De commissaris is op zoek naar een moordenaar, niet op zoek naar de eigen verloren tijd – hij wordt na aankomst met de neus op dat verleden gedrukt. Maigret is immers geen auteur, zoals zijn schepper Simenon, hij is slechts commissaris – een protagonist. Het woordje ‘Ik’ komt in de Maigret-romans zelden voor.

Shade, de dichter in Nabokovs Pale Fire – schrijver van het gelijknamige gedicht van 999 regels – woont zelfs in zijn ouderlijk huis. Het is niet helemaal duidelijk of hij daarin terugkeerde of dat hij hier altijd bleef wonen.

The house itself is much the same. One wing 58
We’ve had revamped. There’s a solarium. There’s
A picture window flanked by fancy chairs.
TV’s huge paperclip now shines instead
Of the stiff vane so often visited
By the naïve, the gauzy mockingbird
Retelling all the programs she had heard… 64

I was an infant when my parents died. 71
They both were ornithologists. I’ve tried
So often to evoke them that today
I have a thousand parents. Sadly they
Dissolve in their own virtues and recede… 75

Shade leeft in zijn verleden – en in zijn taal die dit verleden vormgeeft. Hij hoeft niet op zoek te gaan, hij botst er niet tegenop.

Een te jong gestorven en dus verloren dochter achtervolgt Shade in zijn verzen. Wellicht is hij zich daarom wel scherp bewust van het caleidoscopische en dus onzuivere gehalte van alle herinneringen. Die kleven aan zo’n oud huis – het zijn echter steeds weer nieuwe herinneringen die als even zoveel herfstbladeren van hun boom vallen. Kunst, dichtkunst in de eerste plaats, is het rapen van bundels van zulk toevallig gevallen blad.

F. Sierksma Wetenschappelijk Arbeider
F. Sierksma
Wetenschappelijk Arbeider

Zeker roept deze foto van mijn vader veel op – vooral ook diens willekeurige overtuiging dat ik met twee linker handen werd geboren. Zie hem zelf aan de slag! Misschien was het wel deze tractor in de garage van mijn Friese grootvader die van zijn krik gleed en daarbij zijn heupkom stukbrak. Mijn vader kon de rest van zijn leven niet meer goed lopen.

Een huis waarheen je terugkeert verschaft herinneringen een schijn van objectiviteit. Het suggereert houvast. Maar ook dat is iets.

Mijn Groninger woning – waarin ik de vroegste jeugd doorbracht – zag ik sindsdien nooit meer vanbinnen. Wel de façade en de straat, waaraan het huis ligt. Dit huis komt me niettemin als werkelijker voor dan het Leidse, ook al bracht ik in Groningen maar zeven, in Leiden wel vijftien jaar door. Zelfs nu ik er regelmatig kom, krijg ik er steevast een gevoel van radicale vervreemding. Leefde ik hier, was ik hier ooit echt, was dit mijn kamer? En alles is zo klein… Dezelfde ervaring had ik bij terugkeer in Amsterdam, na twee jaar in Amerika – alles popperig klein.

Men zegt wel dat een mens, zolang hij nog in de gedachten is van overlevenden, zelf verder leeft. Het lijkt eerder zo dat slechts de herinnering aan hem voortleeft, louter als gedachte. Voortleeft – en vervormt. Wie dood gaat is het voorgoed. Zoals ook een auteur niet voortleeft in zijn boeken – dit misverstand berust op de fatale reductie van een schrijver op zijn teksten, of erger nog: van teksten op hun schrijver.

Realiteit en herinnering – altijd een interval, immer een faseverschil.

Sierksma, 15.3.15 Haarlem

ZWAGERMAN KIJKT NIET

Mijn lezer weet het – met Zwagerman als kunstcriticus heb ik weinig op. Je zou dit een vooroordeel kunnen noemen, ware het niet dat de auteur steeds weer bewijzen levert voor mijn gelijk. Ik neem er weer eentje uit de lange reeks getiteld Zwagerman kijkt, dit maal de twee pagina’s brede tekst in de Volkskrant van 20.1.15.

Het stuk gaat over een foto van Jeff Wall, genaamd The Destroyed Room. Wellicht niet Zwagerman zelf, maar een lay-out man van de krant presteert het om van deze foto een minuscule reproductie te tonen, terwijl van het doek met de geile dames erop – Delacroix’ meesterwerk Dood van Sardanapalus – een zeg maar levensgrote versie in beeld komt.

DSCF1741

Het vervelende aan Zwagerman is dat hij in het ongewisse laat of een door hem gemaakte vergelijking zelfverzonnen is of komt van een ander. “Jeff Wall baseerde de compositie van The Destroyed Room op het schilderij De Dood van Sardanapalus [1827].” Het ‘concept’ blijkt van de fotograaf zelf afkomstig.

images (2)

Jeff Wall, The Destroyed Room

Dus gaat het vanaf dit moment in Zwagermans stuk om een geforceerde projectie van Walls eigen idee op de beelden die de lezer van de Volkskrant krijgt voorgeschoteld.

images (4)

Sardanapalus

Mij blijft het een volstrekt raadsel wat de twee werken met elkaar hebben te maken. Niet alleen vraagt het om een immense fantasie om in de ‘compositie’ van de afgebeelde kamer ook maar enige gelijkenis aan te treffen met die van het schilderij – kleuren kloppen niet, de verdeling van lichte en donkere vlakken is verschillend, de foto toont een opening in de ruimte, die van Delacroix is volledig gesloten et cetera et cetera. Er is wellicht sprake van een overeenkomende diagonaal – big deal!

Vervelender voor in een in kunst geïnteresseerde is het volledig ontbreken van enige thematische overeenkomst. Of het zou moeten zijn die uiterst abstracte notie van ‘vernieling en vernietiging’. Maar dan kun je ook een foto van de burgeroorlog in de Oekraïne erbij halen, of eentje van een stel opgeschoten hooligans die in Rome een Bernini fontein vernielen.

Zwagerman hoort bij die smalle ‘filosofen’ voor wie ‘alles met alles te maken heeft’ – voor wie de dichterlijke associatie van een vlinder die in het Amazonegebied de vleugels uitslaat met een gierende storm langs de Hollandse kust ook werkelijkheid betreft. Maar alles heeft niet met alles te maken – behalve in een wollig denkraam.

Op basis van deze nonsensgedachte komt, op aangeven van Jeff Wall zelf, Zwagerman to de volgende uitspraak: “The Destroyed Room vervormt Delacroix’ bloederige schilderij tot een naar binnen gekeerd horrortafereel.” Hoe verzint de man ‘t!

Er is geen spat bloed te bekennen op het doek van de grote schilder – die kijkt wel uit om zijn schitterende modellen niet in alle vleselijke pracht tentoon te stellen en ze niet te besmeuren, modellen waarvan hij in zijn Journal aangaf er regelmatig mee te ‘sleutelen’ (waarvoor hij, nogal preuts, het Italiaanse woord gebruikte…). Overmeestering, dreiging – allemaal waar. Maar zeker nog niet bloederig, en vooral Rubenesk prachtig.

images (3)

Detail van Sardanapalus

Ook vraagt het van de kijker de notie van een ‘conceptueel kunstwerk’ om in de wat onnozele foto van Wall een ‘naar binnen gekeerd horrortafereel’ te zien. Zwagerman ziet nog veel meer. “Wat is hier gebeurd? Heeft hier een echtelijke ruzie gewoed, of heeft een eenzame en verdoolde ziel het eigen interieur aan gort geslagen. Ik vermoed het laatste… Ik stel me voor dat de bewoonster de kamer woedend en wanhopig heeft achter te laten, om er nooit meer terug te keren.”

Hemeltje lief – het moet welhaast een kenau geweest zijn, om zoiets aan te richten, zeg maar: zo’n compositie van rotzooi. Je snapt nu ook waarom ik niet door de boeken van Zwagerman weet te komen. Het gaat hier niet om creatieve fantasie – het is een explosie van puberale verlangens, wellicht gevoed door eigen leed. Doet me soms denken aan Grunbergs lelijk geschreven romans. Beide auteurs lijken de Volkskrant intussen in hun zak te hebben.

Het artikel kabbelt vrolijk verder met wat verwijzingen naar werk van Hopper en Hammershøi. Je ziet de arme Zwagerman zijn beschikbare catalogi uit de boekenkast halen en her en der openen, om precies zoveel woorden bij elkaar te vegen dat er weer wat bij de krant verdiend kan worden. Een gedichtje van Gerrit Kouwenaar uit een bundel geplukt – en klaar is Joost.

DSCF1743

Beteuterde Zwagerman

Aan het slot van het stuk suggereert Zwagermans eigen, licht beteuterde fotoportret dat‘ie er zelf ook nooit in geloofde. Een hedendaagse, zelfbenoemde hogepriester van de postmoderne religie van De Kunst – een logomagicus. Wat korreltjes Rothko, wankelend op de rand van decoratie en diepe betekenis, een snufje Mondriaan en een flinke geut ‘concept’. Zijn volgende preek staat alweer bijna op papier.

BEKIJK OOK MIJN DAGBLOG –sierksma.wordpress.com
Sierksma, Haarlem 3.2.2015

TOUT Á COUP Messcherp 3

“They don’t feel nothing. Drop, snap, and that’s it.”
“Are you sure? I was standing right close. I could hear him gasping for breath.”
“Uh-huh, but he don’t feel nothing. Wouldn’t be humane if he did.”

Truman Capote, In Cold Blood

_________________________________

Werd in de feodaliteit elke executie per zwaard of met de bijl uitgevoerd, daar betrad met de uitvinding van de guillotine sinds de Franse Revolutie de burger niet alleen het schavot, maar ook de Bühne der Geschiedenis.

De guillotine, een vrouw. Geschreven met een hoofdletter – Madame Guillotine werd ze genoemd. Het zou gaan om een humane techniek die behulpzaam is bij het in hoog tempo slachten van reeksen mensen. Een Taylorisme van de dood.

download (1)

Het prepareren van een lijk

Tegen de tijd dat Koning Louis XVI eind 18e eeuw zijn kop verloor – daarvoor al werd hij geroyeerd uit zijn Koninklijke rang en gedegradeerd tot citoyen Capet – gingen veel edellieden hem al voor. Tout à coup zo gezegd, door een politiek besluit. Evenzo snel was Louis burger af, het moment waarop de guillotine zijn hoofd afknipte. Een tijdgenoot formuleerde het treffend: ‘Met de snelheid van een knipoog’.

Ook al op de vlucht verloor hij zijn koningschap. Paine, in de film Nuit de Varennes, in de fraaie zinsnede van Scola kortom: “Een koning op de vlucht wordt met elke minuut minder koning.” Eerst dus in minuten, toen dat flitsende, bloederige einde.

Zo gaat dat in revoluties. Op 21 januari 1793 rolde om kwart over tien des ochtends Louis zijn hoofd in de houtwol.

xyimages

Ostensio

De beul toonde het ooit vorstelijke hoofd aan een bloedgeil volk – de Ostensio. Een vreemde hand vat de mislukte Von Münchhausen bij de krullen. Op deze getekende weergave van de gebeurtenis druppelt ‘t onhandig getekende ‘onzuivere bloed’ op de woorden onder de prent, die er deze uitleg aan geven.

Capets dood werd in elk geval nog groots gevierd. Het leven is mateloos, de dood bemeten en benepen. Bij het levenseinde slaat meestal een vreugdeloze economie toe, het humane wordt in kilo’s en centimeters bemeten.

Een kist is een kostbare vertoning. Met slechts zoveel vierkante meter per graf is het delven ervan moeizaam, tijdrovend en ook al kostbaar. Het aantal kogels per executie loopt in de papieren, het moet allemaal snel en efficiënt gebeuren – een vuurpeloton is vereist.

Het leven is onschatbaar, de dood valt goed te peilen. Ook dood door ophanging werd geëconomiseerd. Voorafgaande aan de executie spiekt in landen met een doodstraf door de strop de beul even in de cel. Hij loert door een speciaal ontworpen, maar voor de ter dood veroordeelde verborgen gaatje naar zijn slachtoffer. Dan schat hij diens gewicht en de sterkte van de nek.

Hij heeft hiervoor gestudeerd en berekent het gewicht van de zak die straks aan de benen van de veroordeelde zal hangen. De massa van man en zak tezamen zorgt, na het openen van het luik onder de veroordeelde, voor het adequaat breken van de nek. Aan pijnlijk gespartel hebben officiële toeschouwers een broertje dood.

Angelen en Saksen noemen dit the drop. Een wetenschappelijke, want berekende definitie van een dood in de maak.

0116table

De Tabel

Aan elk leven komt een einde – soms duur dit lang, dan weer kort. Behalve de dood door de valbijl van de guillotine wil ook de Arabische executie per zwaard de grens tussen leven en dood messcherp maken.

Is het bij een terechtstelling door guillotine of strop een afstandelijke aangelegenheid – tussen veroordeelde en beul is geen menselijk contact nodig – de executie per zwaard is juist van een subtiele, interactieve kwaliteit.

De beul moet met zijn blikkerend zwaard de veroordeelde weten te fascineren, zodanig dat deze op het kritieke moment hoofd en nek even om hoog brengt. Op dat nauwkeurig geënsceneerde moment komt de nekslag van het zwaard harder en preciezer aan. In het land van Duizend en één nacht speelt men met de dood nog een spelletje.

DSCF1738

Deze verpletterende foto toont de kijker het vrijwel exacte moment van zo’n onthoofding – in elk geval het ogenblik dat het meest intrigeert. Roland Barthes zou de barbaarse band tussen macht, wreedheid en onthoofding het studium van de afbeelding noemen – datgene ‘waarover het plaatje gaat’. Een Engelsman houdt het wellicht op rubbing it in!

Het punctum van deze prent heeft met dit ‘thema’ niets uit te staan. Dat is de pointe van een foto, die bestaat uit al wat onder dan wel boven de algemene mededeelzaamheid ervan steekt – de betekenis die steeds de mijne is, een persoonlijke zin die ik eraan verleen.

Voor mij schuilt dit punctum – dat wat me de adem beneemt en de blik bijkans doet afwenden – in die twee, tegendraadse sproeiers bloed. Twee fascinerende, zij het tevergeefse getuigen van de altijd weer verrassende veerkracht van het leven. De vergeelde zwart-wit opname maakt de voorstelling slechts extra macaber.

Als een pulserend ontmoeten van man en vrouw. De ene stortvloed welhaast een poging tot vliegen, de tweede een vlucht na voren – een weigering om gehoor te geven aan de wetten van de zwaartekracht. Om daar ten slotte toch voor te buigen.

BEKIJK OOK MIJN DAGBLOG –sierksma.wordpress.com

Sierksma Haarlem Januari 2015