MEMENTO NESTGEUR 24

Na dagen fietsen bereikten we het zuiden, twee jongens van vijftien. Een man in een Limburgs café hielp ons ’s avonds laat aan een slaapplaats. Het hoosde, de tent opzetten kon niet meer. In een mergelgroeve kweekte hij champions. De grotten kende je uit verhalen over in gangen verdwaalde mensen van wie de geraamten waren teruggevonden met de vingerkootjes weggesleten. Tijdens hun machteloos zoeken naar de verdwenen uitweg schuurden de vingertoppen langs ruige kalkwanden weg.

imagesCAJ1N9EOMergelgrotten in Valkenburg

Het voorgeborchte van de hel, we twijfelden even. De fietsen gingen tegen een heuvel, de bepakking namen we mee naar binnen. Met een staaflantaarn verlichtte de gastheer zijn tunnel. De slaapplaats was kil en stil, het rook er muf. Onze zaklamp waren we de vorige nacht kwijtgeraakt, zijn lamp nam hij weer mee. ‘Tweemaal rechts, een keer links – dan nog eens rechts en jullie staan weer buiten.’ Toen was het aardedonker.

Geen oog deden we dicht, we praatten nog wat en deden daarna alsof. Slaapdronken stonden we de volgende ochtend zeer vroeg alweer buiten. Het in dat diepe duister verzamelen van de bagage was een bezoeking. Die nacht brak voor het eerst de vriendschap tussen ons in tweeën, hij fietste naar een verder gelegen zuiden, ik ging via Gelderland weer op huis aan. Toen kwam het wel weer goed.

Op onze zevende leerden we elkaar een dag na mijn aankomst in onze straat in Leiden kennen. Hij was mijn bovenbuur. Zij hadden een balkon, wij een tuin. We sloten vriendschap voor het leven, dacht ik. Was ik vreemd, hij was veel vreemder – zoiets weet je op die leeftijd alleen nog niet. Weer zie ik hem elke scherf of steen van de straat of van een bouwplaats oprapen. Vlakbij het oor tikte hij ertegenaan om te horen hoe zijn vondst klonk, misschien toen al op zoek naar een hogere harmonie. Militaire psychologen keurden ons beiden af, aan ‘instabiele’ jongens met S5 had de kazerne geen behoefte.

Al vroeg verving Hans zijn oudere broer. Met regelmaat en voor ons goed hoorbaar werd die boven ons door hun vader van de ene naar de andere hoek van de kamer geslagen. De oudere broer was het zat en sloeg terug. Hans mocht als pispaal dienst gaan doen, beneden hoorden wij ’s mans gebrul en zijn gejank.

Op mijn eigen wijze laf sprak ik nooit met hem over die terreur. Op de begrafenis van zijn veel te jong overleden pa, een lot dat we deelden, jankte Hans jaren later een loflied op zijn ‘lieve vader’. Dat slachtoffers zich met hun beul identificeren heeft me daarna nooit verbaasd.

Onze vaders haatten elkaar – de zijne een oud-Indiëganger, de mijne een rare, kunstzinnige intellectueel. Over die grens heen sloten wij tweeën een woordloos pact, een vriendschap geboren uit tegendelen. Dat was allemaal hun zaak, niet de onze.

Wij waren weliswaar alle twee ‘instabiel’ bevonden, Hans was echter introvert, ik juist het tegendeel. Even oud verlieten we de middelbare school en gingen studeren, hij medicijnen, ik sociale filosofie. Hij luisterde naar klassiek, op zijn suggestie ik af en toe. Mijn platencollectie bestond, naast wat Bach en Mozart, vooral uit jazz. Op de radio luisterde ik naar rock.

Haatte ik de winter, hem zag je bij min acht in volle vaart op de fiets van college komen, in een overhemd met open boord, met daaroverheen slechts een colbertje waarvan de fladderende panden leken op vleugels – de lange, magere jongen die hij altijd zou blijven.

Mijn vrouw liet hem later kennismaken met haar beste vriendin, net als zijzelf een prachtige Indo, maar iets ouder. Wij vieren waren verslaafd aan monopoly. Na een weekend bij haar in Voorburg ging de vriendin zondagavond gewoon slapen, ze moest immers naar haar werk. Wij zaten wat ruimer in onze tijd. Maandagochtend trof ze ons drieën hologig aan, nog steeds fanatiek bezig met het zoveelste spelletje. Op de terugweg naar Amsterdam stopte ik onze 2CV driemaal langs de kant van de snelweg en hield daar met een sneeuwbad de ogen open.

Hun verkering was al een jaar uit, toen Hans me vroeg om naar Leiden te komen. Of ik een oordeel wilde vellen over zijn nieuwe vriendin. Hij wist al lang dat ik de pest aan haar had. In het restaurant viel hij met de deur in huis. Wat ik er als zijn beste vriend van vond wanneer hij met de nieuwe dame ging trouwen? Zoiets kun je mij toch niet vragen, Hans, dat weet je best. Vergif! Hij beende het restaurant uit. Een kwarteeuw later zagen we elkaar pas terug, intussen was hij voor de derde keer getrouwd met opnieuw een type dat me tegenstond.

Kortgeleden begroeven we hem, de zoveelste leeftijdgenoot onder de zoden. Zijn keramisch getik paste bij een boeddhist, de begrafenis wasemde echter een wee christendom. Of Hans gelukkig was geweest, vroeg zijn zoon aan de baar. Hij vond van wel, Hans had immers vaak gelachen. Die lach herinner ik me slechts als een grimas.

Voor hij stierf, keerde hij na vijfendertig jaar terug naar de vriendin van mijn vrouw. Ze had na hun debacle nooit meer een ander gezocht, toch verzorgde ze hem in zijn laatste jaren alsof hij daar na al die tijd nog recht op had. Op de begrafenis sprak ook een vrouw die enkele maanden tevoren, zo bleek, uit het niets was opgedoken, de dochter van een meisje dat Hans ooit zwanger maakte. De vrouw werd door Hans’ moeder de deur gewezen, ze zag hem nooit meer terug.

Guur, winderig en geel was het die dag. Zand op de kist.

Advertisements

Author: rjsiersk

contact: rjsiersk@xs4all.nl Sierksma was born in Friesland, a 'county' in the northern part of the Netherlands with its own language which he does not speak and with an obstinate population to which he both belongs and does not belong. A retired Professor of Social Philosophy and Aesthetics, as a Harkness fellow he taught at Rutgers and Berkeley Universities in the USA, and at GUAmsterdam and TUDelft in the Netherlands. In 1991 he was awarded his PhD from Leiden University on the subject of 'Surveillance and Task: Labour Discipline between Utilitarianism and Pragmatism'. His books include Minima Memoria (1993), Lost View (2002 with Jan van Geest), and Litter Scent (2013). He has published poems and articles in Te Elfder Ure, Nynade, Oasis and the Architectural Annual. Half the year he lives in Haarlem, the other half he spends in la France Profonde, living ‘in his own words’ as the house out there was bought with the winnings from his essay Eternal Sin, written for the ECI Essay Prize (1993). In this blog, Sierksma's Sequences, written in English, he is peeping round his own and other people’s perspectives. Not easily satisfied with answers nor with questions, he turns his wry wit to a number of philosophical and historical issues. His aim in writing: to make parts of the world light up in his perspective - not my will, thine! Not being a thief, he has no cook, one wife, some children, one lover and three cats. He would not ind being a cat.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s