RAT Nestgeur 23

In de vroege lente van 1952 brak alsnog de Tweede Wereldoorlog uit. Oom Hans en mijn vader, twee bevriende collega’s op de Groninger universiteitsbibliotheek, verschilden sterk in achtergrond. Oom Hans was de zoon van een Nederlands-Indische NSB’er. Mijn vader, zoon van een garagehouder, ‘zat in het verzet’ en sprak tot zijn dood over ‘de Moffen’, soms over ‘die rotmoffen’. Met die oorlog wist oom Hans zich geen raad, hij schaamde zich en hield zijn geheim jarenlang verborgen. Tot er iets knapte, misschien was dit het moment.

Uit het stukgeschoten Duitsland – geen idee uit welke stad, iets wat ik me toen nog niet afvroeg – kwam een jongen een week bij oom Hans en Tante Jute logeren. De charitas van Jantje Beton, destijds politiek geïnspireerd en op Europees niveau. Tot voor kort oorlogvoerende naties moesten zich verzoenen, de Duitsers bejegenen zoals na de Eerste Wereldoorlog leek onverstandig.

De kinderen van Hans en Jute waren nog klein, dus ongeschikt als speelkameraadje voor de jonge Duitser. Het was vakantie, oom Hans vroeg of ik die week met hun jonge gast kon komen spelen. Dat verzoek moet mijn vader hebben verontrust.

Zelf was ik een rouwdouw, bij deze jongen vergeleken was ik een doetje. Ruim zeven jaar, een jaar ouder dan ik, oogde hij minstens acht en leek regelrecht uit de oorlog te komen. Duitsland bleef jarenlang nog een fysieke en sociale ruïne. Zo jong nog kon hij zo lid zijn van de Hitler Jugend.

Voor mij is hij nu nog ‘de Rat’. Zes dagen lang speelden we met elkaar, vanaf dag één werd ik geterroriseerd. Thuis of tegen oom Hans durfde ik niets te zeggen. Mij was ingeprent dat ik voor de zielige jongen een vriendje moest zijn.

Mijn Groninger
Mijn Groninger ruïne

In die dagen waren mijn Groninger kameraadjes en ik vaak in de ruïnes aan het A-kerkhof en de Vismarkt te vinden, oorlogssouvenirs die de Duitsers voor ons als speelterrein achterlieten.

Levensgevaarlijk was het, met her en der uitstekend staal, gevaarlijke diepten vol troebel water en ratten, open putten en versplinterde planken. Een slagveld! Ook van deze avonturen wisten de ouders niets. Met later verworven wijsheid noem je de uren in die puinhopen surrealistisch, voor ons jongens was het allemaal al te reëel. Het in verband brengen met mijn ‘vriendje’ uit Duitsland deed ik eerst niet.

Midden in die week gaf mijn moeder me een portemonnee met geld, ik ging de Rat op de bioscoop trakteren. Nog geen maand daarvoor zag ik met mijn vader in deze toverfabriek mijn allereerste film, een ‘koboifilm’ zoals noordelingen een western noemen.

De weg van ons huis daarnaar toe kende ik dus, die voerde langs de ruïnes aan de Vismarkt. Hij zal zich er thuis hebben gevoeld. In elk geval inspireerde het hem om me precies daar de portemonnee af te pakken die ik daarna leeg terugkreeg. Wat ik thuis vertelde weet ik niet meer, misschien wel dat we naar de film waren geweest. Waaraan het geld werd uitgegeven – kan zijn aan eten, er staat me iets bij van koeken, de Rat was onverzadigbaar. Hij kan het geld ook gewoon hebben ingepikt.

Bij het zien van de gruwelijke film Caché van Haneke kwam hij weer bovendrijven. Dat verhaal gaat over een zesjarige jongen van wie de ouders besluiten om een andere jongen te adopteren, de zoon van twee van hun tijdens een demonstratie in Parijs omgekomen arbeiders. Het voelde als inbraak, als een rat die het huis binnendringt – ook nog eens een gekleurde infiltrant. Zonder commentaar van de ouders werd de nieuwkomer als een vreemde loot op een afwijkende boomsoort geënt. Het loopt slecht af.

Een beschaafde opvoeding lijkt nodig om zulke onderbuikgevoelens niet onmiddellijk te uiten. Je hoeft zo’n vreemdeling niet acuut te omarmen om hem toch met wat zelfbeheersing al gauw als gelijke te kunnen zien. Jongens van zes hebben die reserve nog niet, ze reageren onbeschaafd en dus gemeen – zoals tegenwoordig hele volksstammen volwassenen op immigranten afgeven.

Diep in me steekt nog steeds een haat tegen de Rat, iemand waarvan ik al te goed weet dat hij een zielepiet was, het slachtoffer van een al voltooide oorlog.

Advertisements

Author: rjsiersk

contact: rjsiersk@xs4all.nl Sierksma was born in Friesland, a 'county' in the northern part of the Netherlands with its own language which he does not speak and with an obstinate population to which he both belongs and does not belong. A retired Professor of Social Philosophy and Aesthetics, as a Harkness fellow he taught at Rutgers and Berkeley Universities in the USA, and at GUAmsterdam and TUDelft in the Netherlands. In 1991 he was awarded his PhD from Leiden University on the subject of 'Surveillance and Task: Labour Discipline between Utilitarianism and Pragmatism'. His books include Minima Memoria (1993), Lost View (2002 with Jan van Geest), and Litter Scent (2013). He has published poems and articles in Te Elfder Ure, Nynade, Oasis and the Architectural Annual. Half the year he lives in Haarlem, the other half he spends in la France Profonde, living ‘in his own words’ as the house out there was bought with the winnings from his essay Eternal Sin, written for the ECI Essay Prize (1993). In this blog, Sierksma's Sequences, written in English, he is peeping round his own and other people’s perspectives. Not easily satisfied with answers nor with questions, he turns his wry wit to a number of philosophical and historical issues. His aim in writing: to make parts of the world light up in his perspective - not my will, thine! Not being a thief, he has no cook, one wife, some children, one lover and three cats. He would not ind being a cat.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s