TELOOR Nestgeur 22

Op het Noordstrand, met zicht op het uit zijn voegen gegroeide ‘zwarte’ vissersdorp Katwijk, zie ik ons weer in de Blauwe Tram vanuit Leiden naar hier komen. Mijn ouders, mijn zusje en ik – op pad voor een zondagje strand.

Eerst reed je door de wat minder gereformeerde negorij Rijnsburg, tenslotte woonde hier ooit Baruch Spinoza. Daar stapten achterlijk ogende moeders op de tram, met aan de hand hun kwijlende kinderen. Inteelt leerde ik op jeugdige leeftijd herkennen. Dit had met katholiek, doopsgezind of gereformeerd niets te maken, wel alles met de afgeslotenheid van zulke plaatsjes en, via een omweg, toch weer met het vaak benauwd religieuze karakter van zulke enclaves. Er zat weinig anders op dan het met je familie te doen.

Op de parking achter de Katwijkse duinen hoef je deze nazomerse oktoberdag niet te betalen, een metalen schild schermt de sleuf van de meter af tegen geld en zand. Op de kale steenvlakte staan hooguit tien auto’s te wachten. Vijftig jaar geleden was hier weliswaar al het strand, maar nog geen ‘Noordstrand’, laat staan deze parkeerplaats. Auto’s waren er maar weinig, vandaar ons vervoer per Blauwe Tram van en naar zee. Net als de Gele Tram die vlak langs ons huis naar Den Haag reed, is ook de Blauwe tramlijn lang geleden opgeheven.

In de adolescente jaren maakte ik in stevig stormweer strandwandelingen van Katwijk naar Noordwijk. Daar vandaan nam ik de bus terug naar Leiden. Vandaag is er geen horizon, verre nevels stikken hemel en zee naadloos aaneen. Op het strand rennen meer honden dan baasjes. Hun drollen zijn voor de golven. Toch presteert mijn linkerschoen het om er eentje op te pikken.

Na de wandeling heb ik dorst en zin in een haring. Dus steekt mijn auto de Leidsche Rijn over, de boulevard langs naar het oude dorp, richting Het Zwaantje. Ooit was dit een kleine, tussen duin en zeezand verdwaalde uitspanning. Mijn ouders zaten er de godganse zondag met versnaperingen en een boek. Mijn zusje en ik speelden, elk apart, beneden op het strand. Veel later vierden we hier met een visdiner de verjaardagen van mijn oud geworden moeder.

Die zeldzame keer dat mijn vader beneden op het strand kwam, stond hij prompt als een woesteling oog in oog met een ziedende Duitser die mij de toegang tot hún zandbunker verbood. Ze hadden de dag ervoor die bunker immers zelf gebouwd en met een vlaggetje erop achtergelaten. Die moffen leren het nooit, moet mijn vader gedacht hebben.

Er lopen op de parking naast Het Zwaantje controleurs rond. Die zag ik net te laat, de auto is al afgesloten. Hier opeens werkt de ‘urenteller’ weer wel. Toch maar geld pompen en het bonnetje achter de ruit.

Na bij de dame achter de bar een glas wijn te hebben besteld – haring hebben ze niet – loop ik naar een tafeltje binnen aan het raam om achter de terrasplek te kunnen zitten waar mijn ouders vroeger de dag doorbrachten. Op hoge toon krijg ik van de barmevrouw het bevel om in het midden van de zaal te gaan zitten. Aan raamtafels wordt slechts gegeten. Het glas wijn laat ik staan, buiten verfrommel ik het nu loze parkeerbonnetje, zweer hardop nooit meer terug te komen en rijd de boulevard af naar het zuiden.

Letterlijk alles is hier tegenwoordig georganiseerd. Met een grote klep veegt een oversized stofzuiger het strand schoon. De boulevard oogt als een steriele, metropolitane strip. Strak belijnde parkeerzones worden geflankeerd door lelijke lantaarnpalen – Feldwebels die alles en iedereen lijken te surveilleren. Laten ze over het duin heen nog wel waaizand toe?

Aan het eind van de boulevard is er warempel een ouderwets klein duincafé met een door raampanelen goed beschut terrasje. Het zoeken naar een functionerende parkeermeter leverde hier weer niks op. Aan een tafeltje voor het gebouwtje verorbert de eigenaresse enorme hoeveelheden van de zelfgeprepareerde lekkernijen, het is haar aan te zien. Bedeesd bestel ik een glas koele wijn, gegarneerd met een haring op uitjes. Dan ga ik het terras op.

Mussen worden strandjutters. Naarstig op zoek naar toeristenrestjes pikken ze tussen de terrastegels duchtig in het zand. Met Beethovens 11e kwartet op de oortelefoon, wat later zijn Grosse Fuge, zet ik tegen een toch kille wind vanuit de rug de kraag op. Mijn twee dagen geleden door cementwerk rauw geworden handen olie ik in met de haring. Straks thuis ben ik even de kattenvanger van Haarlem, daarna neem ik een warme douche.

In een lichte branding geven rustieke ruiters mijn antediluviaanse illusie een zetje. Goddank – na Het Zwaantje was mijn ziel een dweil. Aan het slot van Hustons Night of the Iguana – met Burton en die prachtige Ava – neuriet de oude dichter het vers waaraan hij al zo lang heeft gewerkt. Eindelijk is het af, dan sterft hij boven zee – de Cradle of life, de Moeder van alle Moeders, de zilt ruikende Origine du monde.

Weer zie ik mezelf als een Grieks krijgertje het Katwijker duin afrennen. Hoog daarboven staat als een Attisch veldheer mijn vader. Thalatta, oh thalatta!

Advertisements

Author: rjsiersk

contact: rjsiersk@xs4all.nl Sierksma was born in Friesland, a 'county' in the northern part of the Netherlands with its own language which he does not speak and with an obstinate population to which he both belongs and does not belong. A retired Professor of Social Philosophy and Aesthetics, as a Harkness fellow he taught at Rutgers and Berkeley Universities in the USA, and at GUAmsterdam and TUDelft in the Netherlands. In 1991 he was awarded his PhD from Leiden University on the subject of 'Surveillance and Task: Labour Discipline between Utilitarianism and Pragmatism'. His books include Minima Memoria (1993), Lost View (2002 with Jan van Geest), and Litter Scent (2013). He has published poems and articles in Te Elfder Ure, Nynade, Oasis and the Architectural Annual. Half the year he lives in Haarlem, the other half he spends in la France Profonde, living ‘in his own words’ as the house out there was bought with the winnings from his essay Eternal Sin, written for the ECI Essay Prize (1993). In this blog, Sierksma's Sequences, written in English, he is peeping round his own and other people’s perspectives. Not easily satisfied with answers nor with questions, he turns his wry wit to a number of philosophical and historical issues. His aim in writing: to make parts of the world light up in his perspective - not my will, thine! Not being a thief, he has no cook, one wife, some children, one lover and three cats. He would not ind being a cat.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s