ROS Nestgeur 18

Enkele huizen naast de dame van de sprintles woonde nog een tweede ongetrouwde vrouw. Zij was veel jonger. Het gezicht kan ik me niet herinneren, wel de naam. We speelden elke dag met haar zoon, Peter van Z.

Wie me wel helder voor de geest staat, wier beeld zelfs het oude lichaam nu nog opwindt, dat is de rosse dame die van Peters moeder de zolderkamer huurde.

Lijpe Peter noemden we hem – het was een rare snuiter, in deze dagen zeker rijp voor het Riagg. Zulke hulpverlening had je nog niet, dus moest hij het doen met ons als therapie, zijn straatmaatjes. Aardig was hij wel, het kookte alleen soms heftig over.

Op een dag waren we aan het katrikken, een spel dat ze in Groningen tiepelen noemen – zeg maar straatcricket. Een kort stokje wordt over twee bakstenen gelegd, dan wip je het ding met een slaghout omhoog en geeft het een mep. De tegenpartij probeert het houtje te vangen en gooit het terug naar de bewaker van de stenen.

Peter kon niet tegen zijn verlies, zeker niet die dag. Hij had zijn eigen slaghout bij zich, met bovenin een platgeslagen spijker voor extra gewicht. Na een korte ruzie met straatoudste Herman haalde hij wild uit. Behalve een stuk onderlip ijlde ook diens voortand als een tiepelhoutje het heelal in. Zelden zo veel bloed zien vloeien.

Een week later nodigde Peter ons bij hem thuis uit ‘om naar de kamer van die rooie te komen kijken’. Een zoenoffer en een uitdaging tegelijk, hij vertelde erbij dat de huurster misschien thuis was. Herman had er geen zin in. Dit verbaast me nu nog, maar misschien wist hij al waar het bij vrouwen om te doen is. Hans en ik wilden best mee, wij waren negen jaar oud en nog vrouwonnozel.

Haar fiets stond in de tuin. Mijn Rosse Dame zal zo’n vijfentwintig zijn geweest, voor ons jonkies van negen, overvol van eerste vermoedens, een prachtexemplaar. Vuurrood was heur haar, ze droeg altijd artistieke kleren. Af en toe zag je haar door de straat fietsen, voor ons jongens een indrukwekkend, maar vooral vreemd wezen. Daar bleef het bij – tot die middag.

Hans, een neurotisch mager type, schrok op het laatste nippertje terug. Na wat aandringen door Peter ging ik mee naar binnen – riskant leven, zo jong al. Op de eerste verdieping liet ook Peter zelf het afweten, wel moedigde hij me aan om de zoldertrap naar haar kamer op te gaan.

Ze moet me hebben horen aankomen. Halverwege de trap was ik, voornemens om door het sleutelgat te loeren. De deur werd met een ruk opengetrokken. Gehuld in een opengeslagen peignoir van ijle stof torende de Rubeneske vrouw boven me uit. Niet alleen het hoofdhaar was ros, ook de magische driehoek.

Veel tijd om dit wonder van mijn eerste naakt te bestuderen nam ik niet. Met de god der kuisheid op mijn hielen snelde ik de trap af en het huis uit. Het rode schaamhaar van deze duivelin brandmerkte mijn verlangen, de rest van haar lichaam is intussen meer illusie dan beeld. Wat ze van plan was? Misschien alleen om me voor haar eigen lol te laten schrikken.

Zo werd ik Platonist – lang bleven vrouwen voor mij De Vrouw, een onstoffelijk Idee aan een hoge hemel. Pas veel later beroerde ik daadwerkelijk mijn eerste vrouwenlijf, ook toen restte er nog iets van die verhevenheid. Nog weer later, intussen getrouwd, liepen we op een avond in gezelschap van een bevriend echtpaar langs de Groninger rosse buurt. Nog net zag je in een zijstraatje een roodharige hoer haar klant de woning binnen trekken.

Toen sprak ik de sindsdien in onze kringen gevleugelde woorden: ‘Voor dat geld had hij toch een goed boek kunnen kopen!’

Advertisements

Author: rjsiersk

contact: rjsiersk@xs4all.nl Sierksma was born in Friesland, a 'county' in the northern part of the Netherlands with its own language which he does not speak and with an obstinate population to which he both belongs and does not belong. A retired Professor of Social Philosophy and Aesthetics, as a Harkness fellow he taught at Rutgers and Berkeley Universities in the USA, and at GUAmsterdam and TUDelft in the Netherlands. In 1991 he was awarded his PhD from Leiden University on the subject of 'Surveillance and Task: Labour Discipline between Utilitarianism and Pragmatism'. His books include Minima Memoria (1993), Lost View (2002 with Jan van Geest), and Litter Scent (2013). He has published poems and articles in Te Elfder Ure, Nynade, Oasis and the Architectural Annual. Half the year he lives in Haarlem, the other half he spends in la France Profonde, living ‘in his own words’ as the house out there was bought with the winnings from his essay Eternal Sin, written for the ECI Essay Prize (1993). In this blog, Sierksma's Sequences, written in English, he is peeping round his own and other people’s perspectives. Not easily satisfied with answers nor with questions, he turns his wry wit to a number of philosophical and historical issues. His aim in writing: to make parts of the world light up in his perspective - not my will, thine! Not being a thief, he has no cook, one wife, some children, one lover and three cats.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s