TEMPS PERDU Nestgeur 15

Mon père était vraisemblablement a cette époque un tout autre homme que celui dont je me souviens.

Malraux, La lutte avec l’ange

__________
Proust had aan één koekje genoeg om zich een heel leven te herinneren – dit althans suggereren de dikke delen van À la recherche du temps perdu.

Komt me voor als een hyperbool. Zo’n overdrijving is allicht een steuntje in de rug van de schrijver. Sinds Swaabs hersenonderzoek houd ik in de literatuurgeschiedenis niets voor onmogelijk.

Meer gewoontjes is een herinnering die wordt opgeroepen door het een foto – of door het terugvinden van een al lang verdwenen en vaak zelfs vergeten voorwerp – of, en wel vooral, door een terugkeer naar het huis waarin je opgroeide.

De serie korte teksten in mijn Nestgeur – Notities van een verdwaalde Fries werden me deels ingegeven door de bezoeken aan het geboortehuis in Leiden. Mijn moeder had hulp nodig. Het intussen aan de hand van steeds onduidelijker lijstjes routineus boodschappendoen brengt me er na jarenlange verwaarlozing wekelijks terug.

Zulk bezoek heeft soms materiële consequenties. Bij het aanleggen van een extra kabeltje voor een telefoonalarm trof ik een map aan, geklemd tussen een vochtige buitenmuur en de achterkant van het oude, jaren geleden verplaatste bureau van mijn vader.

Daarin zaten ondermeer twee aquarellen, liefdeloos in de weer om aan schimmel ten onder te gaan. Of mijn moeder daarin nog geïnteresseerd was? Een vraag gesteld zonder ironie – ze bezat voor die gespreksmodus nooit een antenne. Nee, niet echt.

Dus hangen nu in mijn eigen studeervertrek twee geredde tekeningen – een dagelijks genoegen. Een daarvan is dit straatbeeld, geschilderd in warm Chios.

J. H. Plokker, Straatje in Chios
J. H. Plokker, Straatje in Chios

Deze tekening bracht nu juist niet het eigen verleden terug – ze stelt de wereld voor als tegelijk in terra firma en als het begin van een door licht en schaduwen drastisch ontregelde chaos.

Mijn vader stopte het prachtige geschenk direct na ontvangt weg in die map. Van de bevriende schilder/psychiater Plokker hing er weliswaar ook werk aan de muren. Mijn vader was echter primair geleerd en literair ingesteld – muziek en beeldende kunst zaten bij ons thuis op het schellinkje. Deze aquarel zag ik nooit eerder, ze roept geen enkele herinnering op.

De moeder die ik elke week bezoek, heeft zich – inmiddels 96 jaar oud – voorgoed in dit vaderlijk studeervertrek teruggetrokken. Een kamer, die je vroeger niet zonder serieus kloppen mocht betreden. Er is niets veranderd – of het moet het bureau zijn dat nu tegen de vochtige buitenmuur staat en niet meer, zoals vroeger, tegen de muur langs de gang.

Zelfs in mijn bedonderde geheugen roept het betreden van deze ruimte herinneringen op die ik heb verwerkt in Nestgeur. De vraag is steeds hoeveel fictie en hoeveel ‘waarheid’ zo’n confrontatie met het eigen verleden oplevert. Confrontatie, geen zoektocht – in de eerste plaats werd ik erdoor overvallen. Dat waarheidsgehalte kun je nooit goed vaststellen.

Het studeervertrek voer ik niet op als een alibi voor mijn stukjes, zoals een Proust dit deed met zijn madelijnkoekje – een schelpvormig gebakje uit Lotharingen. Wellicht deed de rum daarin de auteur delireren…

In Simenons L’ Affaire Saint-Fiacre keert Maigret terug naar zijn geboorteplaats. Hij bezoekt zowel de oude woning, als het kasteel waar zijn vader ooit als régisseur du château werkte. Behalve zich dingen herinneren, beseft hij vooral onvoldoende afstand te kunnen bewaren tot de verdachten – gevolg van hun gedeeld verleden.

“Hij bekeek het onbeweeglijke decor om zich heen, waarin dertig jaren geen detail hadden gewijzigd… Als luchtbellen bleven herinneringen aan zijn kindertijd bovendrijven.”

De commissaris is op zoek naar een moordenaar, niet op zoek naar de eigen verloren tijd – hij wordt na aankomst met de neus op dat verleden gedrukt. Maigret is immers geen auteur, zoals zijn schepper Simenon, hij is slechts commissaris – een protagonist. Het woordje ‘Ik’ komt in de Maigret-romans zelden voor.

Shade, de dichter in Nabokovs Pale Fire – schrijver van het gelijknamige gedicht van 999 regels – woont zelfs in zijn ouderlijk huis. Het is niet helemaal duidelijk of hij daarin terugkeerde of dat hij hier altijd bleef wonen.

The house itself is much the same. One wing 58
We’ve had revamped. There’s a solarium. There’s
A picture window flanked by fancy chairs.
TV’s huge paperclip now shines instead
Of the stiff vane so often visited
By the naïve, the gauzy mockingbird
Retelling all the programs she had heard… 64

I was an infant when my parents died. 71
They both were ornithologists. I’ve tried
So often to evoke them that today
I have a thousand parents. Sadly they
Dissolve in their own virtues and recede… 75

Shade leeft in zijn verleden – en in zijn taal die dit verleden vormgeeft. Hij hoeft niet op zoek te gaan, hij botst er niet tegenop.

Een te jong gestorven en dus verloren dochter achtervolgt Shade in zijn verzen. Wellicht is hij zich daarom wel scherp bewust van het caleidoscopische en dus onzuivere gehalte van alle herinneringen. Die kleven aan zo’n oud huis – het zijn echter steeds weer nieuwe herinneringen die als even zoveel herfstbladeren van hun boom vallen. Kunst, dichtkunst in de eerste plaats, is het rapen van bundels van zulk toevallig gevallen blad.

F. Sierksma Wetenschappelijk Arbeider
F. Sierksma
Wetenschappelijk Arbeider

Zeker roept deze foto van mijn vader veel op – vooral ook diens willekeurige overtuiging dat ik met twee linker handen werd geboren. Zie hem zelf aan de slag! Misschien was het wel deze tractor in de garage van mijn Friese grootvader die van zijn krik gleed en daarbij zijn heupkom stukbrak. Mijn vader kon de rest van zijn leven niet meer goed lopen.

Een huis waarheen je terugkeert verschaft herinneringen een schijn van objectiviteit. Het suggereert houvast. Maar ook dat is iets.

Mijn Groninger woning – waarin ik de vroegste jeugd doorbracht – zag ik sindsdien nooit meer vanbinnen. Wel de façade en de straat, waaraan het huis ligt. Dit huis komt me niettemin als werkelijker voor dan het Leidse, ook al bracht ik in Groningen maar zeven, in Leiden wel vijftien jaar door. Zelfs nu ik er regelmatig kom, krijg ik er steevast een gevoel van radicale vervreemding. Leefde ik hier, was ik hier ooit echt, was dit mijn kamer? En alles is zo klein… Dezelfde ervaring had ik bij terugkeer in Amsterdam, na twee jaar in Amerika – alles popperig klein.

Men zegt wel dat een mens, zolang hij nog in de gedachten is van overlevenden, zelf verder leeft. Het lijkt eerder zo dat slechts de herinnering aan hem voortleeft, louter als gedachte. Voortleeft – en vervormt. Wie dood gaat is het voorgoed. Zoals ook een auteur niet voortleeft in zijn boeken – dit misverstand berust op de fatale reductie van een schrijver op zijn teksten, of erger nog: van teksten op hun schrijver.

Realiteit en herinnering – altijd een interval, immer een faseverschil.

Sierksma, 15.3.15 Haarlem

Advertisements

Author: rjsiersk

contact: rjsiersk@xs4all.nl Sierksma was born in Friesland, a 'county' in the northern part of the Netherlands with its own language which he does not speak and with an obstinate population to which he both belongs and does not belong. A retired Professor of Social Philosophy and Aesthetics, as a Harkness fellow he taught at Rutgers and Berkeley Universities in the USA, and at GUAmsterdam and TUDelft in the Netherlands. In 1991 he was awarded his PhD from Leiden University on the subject of 'Surveillance and Task: Labour Discipline between Utilitarianism and Pragmatism'. His books include Minima Memoria (1993), Lost View (2002 with Jan van Geest), and Litter Scent (2013). He has published poems and articles in Te Elfder Ure, Nynade, Oasis and the Architectural Annual. Half the year he lives in Haarlem, the other half he spends in la France Profonde, living ‘in his own words’ as the house out there was bought with the winnings from his essay Eternal Sin, written for the ECI Essay Prize (1993). In this blog, Sierksma's Sequences, written in English, he is peeping round his own and other people’s perspectives. Not easily satisfied with answers nor with questions, he turns his wry wit to a number of philosophical and historical issues. His aim in writing: to make parts of the world light up in his perspective - not my will, thine! Not being a thief, he has no cook, one wife, some children, one lover and three cats.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s