PASSÉ DÉFINI Nestgeur 11

Weerloos is de tijd, ongenadig de aarde.
Hugo Claus

______________________________________________

In pagina 278 van mijn tweedehands exemplaar van Hermans’ De tranen der acacia’s loopt een vore. Alsof een vorige lezer de tekst wilde omploegen. Eenzelfde groef zit niet in de ertegenover liggende bladzijde. Het is dus geen afdruk van iets dat tussen de bladzijden heeft klem gezeten, er is iets op gevallen.

Pagina uit: De Tranen der acicia's
Pagina 278 van: De Tranen der acacia’s

Zinloos speculeren over zoiets als dit groefje kon ik nooit laten, het leidt wel af van lezing. De kerf is een zuiver feit, zo’n ijdel ding waarvan de schrijver van rechttoe rechtaan metaforen Hermans veel hield.

Op de Franse pagina staat een opdracht: ‘Aan Fokke Sierksma, met vriendschap als eigenbelang, van W.F. Hermans, A’dam 28 Feb. 50’. Drie jaar later verhuisde de auteur naar Groningen waar wij op dat moment nog woonden. De opdracht verwijst naar het boek dat mijn vader in 1948 schreef – Schoonheid als eigenbelang. Of ze toen al bevriend waren, ik weet het niet, ze kenden elkaar in elk geval via het tijdschrift Podium.

Het exemplaar met de kerf komt uit de bibliotheek van mijn vader, mijn moeder krijgt het wel eens terug. Het kan geen toeval zijn dat enkele regels onder de beschadiging de vader van Hermans’ protagonist Arthur ‘nog één keer het schortenbandje van een der dienstmeisjes heeft losgetrokken’. Liet mijn eigen vader die groef opzettelijk achter als een obscene verwijzing voor zijn nageslacht?

Toen ik een jaar of vijf was brachten wij samen een mysterieus bezoek aan een onbekende vrouw. Ze had een eigen zoontje. Zonder dat het werd aangeroerd wist ik dat ik een broertje ontmoette. Was dit de wensdroom van een jongetje dat kort daarvoor zo’n broertje had verloren, of heeft een kind van vijf intuïtief al weet van ‘als twee druppels water’?

Lang nadat Arthurs echte vader hem samen met zijn moeder bij een andere man in Nederland had achtergelaten, neemt hij weer contact op. We lezen de beste episode van het boek, die begint na de groef. De ontmoeting speelt zich af in het Hermans later zo dierbare Brussel. Toen hij het boek schreef, had hij intussen aan zijn geboortestad Amsterdam een hekel. Altijd al was hij een Verloren Zoon en hij wilde dit ook graag zijn.

De Brusselse vader drinkt duchtig en doet aan probleemschaak, twee liefhebberijen die ik van de mijne erfde.

‘Ik weet hoe ik het in vier zetten zou kunnen doen, maar het moet in drie… Ik begin zin te krijgen in mijn cognac’, zei zijn vader. Hij zuchtte diep. ‘Het leven is zwaar,’ zei hij, ‘maar niet zwaarder dan een schaakprobleem dat zeer waarschijnlijk verkeerd is opgegeven… Aha, dat is juist de aristocratische kunst: niets doen en je toch amuseren.’

Sympathie voor zulk amusant far niente, gepaard aan een enorme werkdrift, het kenmerkte Hermans, mijn vader en mezelf. Levenslang observeerden we anderen die de kunst van het seigneuraal lummelen wel verstonden – Hermans in zijn romans, mijn vader in zijn etnologische studies, ik tijdens een onderzoek naar het doen en laten van kloosterlingen. Geen van ons leerde ooit om die kunst van het lanterfanten in praktijk te brengen.

Dan laat Arthur de vader voorgoed achter in Brussel, zoals ook ik de mijne na de breuk nooit meer terugzag. Later gingen Hermans en mijn vader uit elkaar, de klad zat erin. Het was een even vriendschappelijke als afstandelijke verhouding tussen een onderzoeker voor wie religies gegevens waren zonder er zelf in te geloven, en een schrijver die in harde feiten geloofde en de ander diens ‘zachte vak’ verweet.

Het werd voorzegd, de groef in het acaciablad is het bewijs.

Advertisements

Author: rjsiersk

contact: rjsiersk@xs4all.nl Sierksma was born in Friesland, a 'county' in the northern part of the Netherlands with its own language which he does not speak and with an obstinate population to which he both belongs and does not belong. A retired Professor of Social Philosophy and Aesthetics, as a Harkness fellow he taught at Rutgers and Berkeley Universities in the USA, and at GUAmsterdam and TUDelft in the Netherlands. In 1991 he was awarded his PhD from Leiden University on the subject of 'Surveillance and Task: Labour Discipline between Utilitarianism and Pragmatism'. His books include Minima Memoria (1993), Lost View (2002 with Jan van Geest), and Litter Scent (2013). He has published poems and articles in Te Elfder Ure, Nynade, Oasis and the Architectural Annual. Half the year he lives in Haarlem, the other half he spends in la France Profonde, living ‘in his own words’ as the house out there was bought with the winnings from his essay Eternal Sin, written for the ECI Essay Prize (1993). In this blog, Sierksma's Sequences, written in English, he is peeping round his own and other people’s perspectives. Not easily satisfied with answers nor with questions, he turns his wry wit to a number of philosophical and historical issues. His aim in writing: to make parts of the world light up in his perspective - not my will, thine! Not being a thief, he has no cook, one wife, some children, one lover and three cats.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s