PORTRETTEN Nestgeur 9

Twee portretten – de moeite waard voor wie erop staat, soms ook voor een buitenstaander. Een frappante set, geschoten door de amateurfotograaf, schrijver en polemist W. F. Hermans.

Vader en zoon dragen allebei een alpinopet, het favoriete hoofddeksel van de vader. Of het invloed had op moeders keuze van mijn petje? Wellicht dacht ze: Zo vader zo zoon. In 1946 ging eerst mijn vader op de foto, misschien wel op de dag dat ik werd geboren.

Fokke Sierksma, gefotografeerd door Hermans
Fokke Sierksma, gefotografeerd door Hermans

Mijn eigen portret dateert van 6 februari 1953, vlak voor ik zeven werd.

Uw schrijver, gefotografeerd door Oom Wim
Uw schrijver, gefotografeerd door Oom Wim

Wat later emigreerden we naar het Westen, het terra incognita waarvandaan Hermans juist naar Groningen was vertrokken, een verraad aan Amsterdam dat de hoofdstad hem nooit vergaf. Misschien was zijn vertrek wel doordrongen van eenzelfde exotisme als de emigratie van mijn vader.

Was Hermans in ‘s lands centrum een masochist, in de periferie kwam hij als sadist uit de kast. Groningen en haar ommelanden bleven lang zijn trieste tropen, een kille omgeving die hem prikkelde tot venijnig schrijven. In Nooit meer slapen zocht hij het in ijzig Noorwegen nog hoger op de globe.

De foto van mijn vader staat in Mandarijnen op zwavelzuur. De eerste editie uit 1963 ligt voor me, uitgegeven door Hermans’ eigen ‘Mandarijnenpers’. De opdracht voorin is moeilijk leesbaar: ‘Voor Fokke Sierksma, van je oude heilige koerier, Wim 22 maart 1969.’

Hoewel indexwaardig, was mijn vader in dat boek niet meer dan een mandarijntje, door Hermans slechts op verdund vitriool gezet. De grotere vruchten in het zure boek komen er veel minder goed vanaf. Merkwaardig, want vreemd voor de fanatieke archivaris Hermans, is het ontbreken van een fotoverantwoording achterin.

Doodzonde is ook dat een ander door hem gemaakt fotootje in mijn wanordelijke bibliotheek is zoekgeraakt. Daarop zie je me in een botsautootje zitten. Die middag nam oom Wim me mee naar buiten, de veemarkt op waaraan zijn huis lag. Het was een koude kermis, tante Emmy en mijn ouders bleven binnen. Van de verblufte vrouw in de box office kocht hij tegelijk een heel rolletje met kaartjes – getweeën reden we urenlang per trolleyauto in de rondte.

Hermans was autogek, jaren later racete hij me met een rode snelheidsmachine in recordtijd van Groningen naar Utrecht. Daar werd ik midden op die enorme rotonde achtergelaten. Hij moest voor de Brusselse radio een interview geven en had nog steeds haast.

Niet alleen is het kermisfotootje onvindbaar, ook een paar van Hermans’, door mij uit het archief van mijn vader ontvreemde handgeschreven brieven raakten zoek. Die verstuurde hij vanuit Luxemburg, waar hij voor zijn proefschrift over fysische geografie in de rotsen zat te hakken. In één daarvan behandelde hij het verschil in beider opvatting over kunst en wetenschap. Met de ‘zachte’ antropologie van mijn vader, die hij van theologie verdacht, had de volbloed bèta Hermans weinig op. Kluns die ik ben, ik haalde de brieven uit hun ordner en borg ze samen met het fotootje te goed op.

In mijn laatste Groninger jaar speelde ik vaak thuis bij tante Emmy en oom Wim – zij hadden nog geen eigen kind, ik was een substituut. Van het huis herinner ik me vooral de hoogte. Zelf woonden we begane gronds, zij op de eerste etage, hoog boven een souterrain. De voordeur bereikte je na de beklimming van een fiere stenen trap. Het verheven uitzicht over markt en kanaal gaf me als kleine jongen een soeverein gevoel. Waarom potentaten hun volk vanaf een zeepkist toespreken hoefde je mij niet meer uit te leggen.

Hun prachtkatten waren mijn speelmakkers, andere vriendjes waren er niet. Ook deze poezen gingen op ‘t portret. Tante Emmy’s gitzwarte huid maakte haar nog mooier – wist ik toen al. Pas in Leiden werd ze uitheems en met haar heel Groningen. Of het die huid was of mijn kindermaat, de poezen waren mijn panters.

Advertisements

Author: rjsiersk

contact: rjsiersk@xs4all.nl Sierksma was born in Friesland, a 'county' in the northern part of the Netherlands with its own language which he does not speak and with an obstinate population to which he both belongs and does not belong. A retired Professor of Social Philosophy and Aesthetics, as a Harkness fellow he taught at Rutgers and Berkeley Universities in the USA, and at GUAmsterdam and TUDelft in the Netherlands. In 1991 he was awarded his PhD from Leiden University on the subject of 'Surveillance and Task: Labour Discipline between Utilitarianism and Pragmatism'. His books include Minima Memoria (1993), Lost View (2002 with Jan van Geest), and Litter Scent (2013). He has published poems and articles in Te Elfder Ure, Nynade, Oasis and the Architectural Annual. Half the year he lives in Haarlem, the other half he spends in la France Profonde, living ‘in his own words’ as the house out there was bought with the winnings from his essay Eternal Sin, written for the ECI Essay Prize (1993). In this blog, Sierksma's Sequences, written in English, he is peeping round his own and other people’s perspectives. Not easily satisfied with answers nor with questions, he turns his wry wit to a number of philosophical and historical issues. His aim in writing: to make parts of the world light up in his perspective - not my will, thine! Not being a thief, he has no cook, one wife, some children, one lover and three cats.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s