OER

I myself am war. I imagine myself covered with blood, broken but transfigured and in agreement with the world, both as prey and as a jaw of TIME which ceaselessly kills and is ceaselessly killed.

Bataille’s Heraclitean Meditation.

Nooit schurkt een mens dichter tegen het leven aan dan wanneer hij het eigenhandig doodt. Moed is er nodig om het beest dat je eet eerst zelf te slachten.

Verstedelijking en bio-industrie zorgden voor vlees dat tot iets roods verwerd, in een wit kunststofbakje, gehuld in cellofaanhuid. Op de vismarkt liggen geprepareerde vissen als zilveren sieraden panklaar te pronken.

Moeders verhalen vertederd van het kind dat geen vlees meer eet. “Kortgeleden kreeg hij nog zo’n lief konijn…” Met kerst eten die mama’s zelf ook geen wild, een anoniem biefstukje gaat er nog net in.

De dood komt tot ons via het scherm. Als slachtscène in de film Novecento. Of als een vluchtig huiverbeeld in een thriller, opgeleukt als een lekkere vrouwendij of als dito naakt, altijd kunstig verbeeld – pretvlees. De dood, vanzelfsprekend tweedehands.

Ook de eigen dood verpakt men intussen in cellofaan. Bij crematie of begrafenis voelen postmoderne mensen zich extra verbonden met de overledene in de kist, omdat deze zelf, nog in leven, “zo leuk vorm gaf aan de gebeurtenis.” Designdood – over het eigen graf heen. Het einde staat zo aangenaam ver van ons af. Over de dode heen ligt de plastic verpakking van de lijkenindustrie.

De afstand tussen mens en natuur werd almaar groter. Natuur om ons heen vercultuurt. De natuur in ons wordt geregisseerd, opgediend als hapklare brok ’emotie’. Weliswaar verdringen we seksualiteit en agressie minder dan vorige generaties, ze verliezen wel de charme van traditie, liefde en heroïek. We slaan makkelijker een medemens voorrot, dan voor eigen voeding een dier te doden.

In de vroege morgen van die vierde november begin ik de beklimming van het heuveltje boven mijn gehucht. Over de top ligt, wat verder weg, het grote meer met haar uitlopers en inhammen.

DSCF1144

Fase 1

Het water is minstens tachtig meter breed en strekt zich honderden meters in de verte uit. Het keipad is openbaar, alleen gebruikt door boerenburen of een verdwaalde toerist die ergens een gîte huurt.

In zijn Tijgerkat beschreef Di Lampedusa de reactie van vreemdelingen op het door hem beminde Siciliaanse landschap. “Zij waren opgetogen over het panorama en over de intensiteit van het licht. Ze bekenden echter dat ze ontzet waren over de verschrikkelijke toestand en de vuiligheid van de toegangswegen. Ik legde hun maar niet uit dat het een uit het ander voortkwam.” Dit klopt ook voor mijn achterland.

Krap zeven uur – nog donker en knap fris. De wandeling duurt drie kwartier. Na tien minuten licht de horizon in het oosten op en toont me een vaalgrijs silhouet. Vanuit nevels staren stupide koebeesten je aan, hun vlees ligt wellicht komende lente op mijn bord. Een koe is een Japanner – When you’ve seen one, you’ve seen them all. Zou buurman Laurent zijn honderden beesten stuk voor stuk herkennen?

DSCF1324

Fase 2

Rechts is voor wie het weet zo meteen aan gene zijde van het brede Creusedal het witgrijze kasteel Romefort herkenbaar. Inmiddels likt rozevingerig licht aan de dingen zonder er al op te vallen.

Geen gewone wandeling deze morgen, ik ben op weg naar het spektakel van de dood. Mijn meer is geen echt meer – het is een enorme vijver, die net als honderden andere wateren in dit gebied door monniken werd aangelegd. Aan één kant van een kalkstenen kom werd een dam aangelegd. Regenwater vult het daarna.

DSCF1353

Fase 3

De ene vijver ligt steeds iets hoger of lager dan haar buur, hier in een keten van wel dertig stuks. In oktober laat men eerst de laagste vijver leeglopen, om dan het water van het hoger gelegen meer in de leeggelopen kom te laten stromen. Weken duurt het.

DSCF1378

Fase 4

Intussen verzamelen zich in een kleine resterende watertrog van zo’n vijftien diameter duizenden karpers die het afgelopen jaar groot werden. Bij aankomst staat in dat watertje tien gelieslaarsde kerels met schepnetten de vissen al in drijvende kisten kieperen.

Die bakken worden naar de rand van de plas geduwd, waar anderen ze naar een op de bodem van de nu lege vijver geconstrueerde goot transporteren. Daar staan, aan beide zijden, vier mannen – één daarvan blijkt later een vrouw. In hoog tempo schuiven ze de glibberige, spartelende vissen naar de taps toelopende sluis, na er eerst te kleine of te grote exemplaren tussenuit te halen.

DSCF1379

Aan het eind van die sluis laden twee mannen de kisten opnieuw vol, nu met hun oog op de weegschaal. Dit zijn de zoon van de eigenaar van de vijver en de zoon van de opkoper die de hele voorraad. Alvorens een kist per hijskraan op de dam te hijsen, wordt deze apart gewogen – nu eens een vis eruit, dan weer eentje erbij. Alles tot op de contractueel overeengekomen kilo nauwkeurig. Eenmaal verladen in enorme waterbassins op de klaarstaande vrachtwagens, worden ze naar Duitsland of Engeland vervoerd.

Als enige kijk ik vanaf de oever zo’n anderhalf uur gebiologeerd naar de wirwar van twintig mannen plus een vrouw en duizenden enorme karpers van zeker een halve meter lang en minstens twintig centimeter dik.

Twee dagen geleden was het Allerzielen – de het ganse heelal omvattende dodenherdenking. Malcolm Lowry:

If death can fly just for the love of flying,
What might not life do for the love of dying?

De aangekondigde dood is vandaag massaal, in elke kist ligt zo’n vijftig kilo op apegapen. De zuurstof in de bassins op de vrachtwagens redden de vissen slechts voor even, straks snakken ze in grote hotelkeukens opnieuw naar adem. Tot in den doet.

Verkocht aan particulieren wordt er niet. De enigen die aan vis komen, zijn de vissers en sjouwers, allemaal afkomstig uit de directe omgeving. Door de vijvereigenaar worden ze deels in natura betaald. Ook tussen de middag wordt er goed gegeten en gedronken.

DSCF1386

Vissersmaal

Nu ik het spektakel voor het eerst meemaak, moet ik gewoon zo’n beest hebben. Schuchter vervoeg ik me bij de vrouw van de eigenaar, die met twee oudere gasten op een overhangende vlonder staat.

Zij woont trouwens elders, niet in mijn hameau – op nabuurschap ik kan haar niet aanspreken. We maken een praatje. Zij erkent me toch als voisin en belooft het met haar man te gaan overleggen. Beneden in het slik van de vijverbodem steekt deze soms een handje toe, controleert vooral de vloeiende voortgang van een grootse onderneming. Ten slotte moeten, voordat de vroege novemberavond valt, alle vissen op weg zijn naar elders.

Dan klimt de eigenares langs de damwand naar beneden. Er wordt gedelibereerd met haar zoon die het wegen van de kisten even aan zijn maat overlaat. Ze worden het zichtbaar eens, nadat ze de stenen trap weer is opgeklauterd, blijk ik voor de belachelijke prijs van zes euro eigenaar van zo’n monster. Bijzonder voel ik me. Ten slotte heb ik heb er niet voor gewerkt, zoals de mannen die uren lang in het koude water staan te grabbelen. Ik stond erbij en ik keek er naar – een symbolisch bedrag is wel nodig.

De vis krijg ik mee in een plastic afvalzak. Eerst past het pakket niet in mijn kleine rugzak. Na wat geduw verdwijnt de vis alsnog. Op pad, terug naar huis. In mijn hoofd is hij al dood. Terwijl ik de heuvel weer beklim, krijg ik opeens een enorme stomp in de rug. Eerst ben ik zo stom om achterom te kijken – welke idioot heeft me in deze goddelijke eenzaamheid gevolgd! Die karper natuurlijk – hij leeft! Tijdens de tocht volgt nog regelmatig een opdonder.

Terug in La Roche zal deze tweedehands jager zijn prooi moeten afmaken. Drie kwartier wandelen krijg ik de tijd om het autodafe te overwegen. Nooit eerder was de dood zo nabij. Behalve even snel een mug doodmeppen, vermoordde ik nog nooit iemand. Het om zeep helpen van een vis zal me een eeuwigheid kosten. Ik leg hem op de cour, op een blad met twee schragen, en begin met een gekarteld aardappelmes aan het werkje. Achter de doorgesneden strot met de kieuwen zit niks, blijkt nu.

De vis is tijdens de slachtpartij na een kwartier weliswaar flink gehavend, maar nog even springlevend als toen hij de rugzak inging – een open gesneden strot of niet. Tot twee keer toe danst hij van het instabiele kampeertafeltje. Geen flauw idee of ik behalve moordenaar, nu ook een beul ben.

Met dit toch vlijmscherpe mesje de nekwervels doorzagen mislukt compleet. Enkele minuten staar ik de karper in de verbluffend genoeg nog steeds heldere ogen en bedenk een list. Dan haal ik de wildschaar uit de keuken, nog eens vijf minuten later geeft het beest eindelijk de geest. All souls.

Van het leven beroofd. De gruwelijke kop ligt op de grond, het lichaam verroert zich niet meer. De buik wordt open geknipt, ingewanden verwijderd – die bewaar ik in een plastic zakje in de koelkast – voor mijn aanlooppoes, Le Chat Bernhard. Dan volgt het langdurig en naargeestig wegknippen van vinnen, en daarna het stuk voor stuk los sjorren van de honderden harde schubben – als zitten die bij karpers vast gelast.

Doden – hels zwaar werk.

Dan vul ik de beestenbuik met een farci van zout, peper, hardgekookte eieren, het met melk geknede binnenste van een baguette, versneden uien, sjalotten en enkele voorgekookte schijven aardappel. Het beest wordt weer dichtgenaaid, alweer een tijdrovend en lastig klusje. Pas nadat ook de staartvin er is afgezaagd, past hij overdwars in de oven.

Daar ligt hij twee uur in een boterbad te sudderen, regelmatig besprenkeld met geuten goede witte wijn. Wat een drinkebroer – is hij gaar, dan bijkt de fles leeg. Deze delicatesse smaakt grondig – naar de dood. Het eten ervan wordt vanzelf een rituele verorbering.

De slacht bracht me terug tot mijn wezen – de oerkern. Weer thuis in Haarlem prik ik met punaises een grote foto van de klaargemaakte vis tegen de boekenkast. In deze comfortabele nis der beschaving zal ik het retour van een intellectueel naar zijn oerwezen niet vergeten.

Sierksma November 2002/2014 La Roche

Bevalt u dit blog, stuur het naar vrienden en kennissen
Bezoek ook het andere blog: sierksma.wordpress.com

Advertisements

Author: rjsiersk

contact: rjsiersk@xs4all.nl Sierksma was born in Friesland, a 'county' in the northern part of the Netherlands with its own language which he does not speak and with an obstinate population to which he both belongs and does not belong. A retired Professor of Social Philosophy and Aesthetics, as a Harkness fellow he taught at Rutgers and Berkeley Universities in the USA, and at GUAmsterdam and TUDelft in the Netherlands. In 1991 he was awarded his PhD from Leiden University on the subject of 'Surveillance and Task: Labour Discipline between Utilitarianism and Pragmatism'. His books include Minima Memoria (1993), Lost View (2002 with Jan van Geest), and Litter Scent (2013). He has published poems and articles in Te Elfder Ure, Nynade, Oasis and the Architectural Annual. Half the year he lives in Haarlem, the other half he spends in la France Profonde, living ‘in his own words’ as the house out there was bought with the winnings from his essay Eternal Sin, written for the ECI Essay Prize (1993). In this blog, Sierksma's Sequences, written in English, he is peeping round his own and other people’s perspectives. Not easily satisfied with answers nor with questions, he turns his wry wit to a number of philosophical and historical issues. His aim in writing: to make parts of the world light up in his perspective - not my will, thine! Not being a thief, he has no cook, one wife, some children, one lover and three cats. He would not ind being a cat.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s